Het vergrijp der zeventien ouderlingen - pagina 65
memorie ... in zake het adres van de H.H.G.H. Kuiper, voor den Kerkeraad gesteld
Toch houdt de Kerkeraad de betuiging maatregelen
niet terug,
dat
geen dezer
plan ligt. In welke positie vindt hij zich geplaatst? Voor zijn overgroote meerderheid, en dus als College, met beslistheid den Christus naar de Schriften belijdend, ziet hij de teederste en heiligste verrichtingen der openlijke godsvereering ten deele aan manin zijn
nen opgedragen, wier bestrijding van dien Christus door
niet één
hun-
ner verholen wordt.
De Kerkeraad nen
niet geroepen,
heeft in zijn tegenwoordige samenstelling die
maar ze gevonden toen
hij
man-
optrad.
Zijn oordeel over de verderfelijkheid van hun prediking is door den Kerkeraad geen oogenblik verbloemd, maar bij herhaalde verkla-
ring uitgesproken.
Hoogere Besturen aangezocht om in deze ongelegenheid te voorhebben zich machteloos en incompetent verldaard. Zelf orde op dezen onhoudbaren toestand stellen, mag de Kerkeraad, volgens de Reglementen, niet. Zou het den Kerkeraad dan geraden zijn, formeelen dwang in te voeren, waar de geestelijke vrijheid der Gemeente nog aan banden ligt? Zou de Kerkeraad van een der ouderlingen moeten vergen, wat geen gemeentelid mag worden opgelegd: dat hij zou aanhooren en bijwonen, wat hem een ergernis der ziele is en zijn Conscientie kwetst? trouw voor immers van zijn standpunt Zou de Kerkeraad zijn God en Heer de belangen der Gemeente behartigen, zoo hij door dwangbepalingen zich in conflict bracht met de inspraak der Conscientie en daardoor een reeks mannen van zich vervreemdde, op wier mede werking hij prijs stelt? De Kerkeraad oordeelt, hiertoe niet te mogen overgaan, al verklaart hij in zijn meerderheid het Conscientiebezwaar van de heeren Feringa c.s., gelijk het in dezen stap zich uitte, niet te deelen. ,
zien,
—
—
•
Men
versta
hem
wel.
Mét de heeren Feringa
c. s.
oordeelt ook
hij,
God en Zaligmaker
dat,
wie den Chris-
ten diepste gekrenkt, bedroefd en geërgerd moet worden, waar hij in eigen bedehuis de heiligheden van dien Christus hoort en ziet ontwijden. Mét de heeren Feringa c.s. oordeelt ook hij, dat de tegenwoordigheid bij zoodanige predicatie en acte zooveel doenlijk te mijden en tus naar de Schriften als zijn
aanbidt,
ontraden is. de heeren Feringa c. s. is ook hem de godsdienstige verrichting der moderne predikanten lijnrecht het tegendeel van wat ze tot eere Gods, tot troost der ziel en tot opbouwing eener Gemeente, die haar Christelijk karakter handhaaft, zijn moest. Evenwel, tegenover deze, beiderzijds even diep gevoelde, ergernis kan de Conscientie tweeërlei toon geven. Het kan den Christen plicht schijnen, de smart van deze ergernis,
ieder
te
Mét
haar ten getuige, te moeten dragen. Of ook, kan de Christen het ongeoorloofd achten, door dulding
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1872
Abraham Kuyper Collection | 145 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1872
Abraham Kuyper Collection | 145 Pagina's