Het vergrijp der zeventien ouderlingen - pagina 23
memorie ... in zake het adres van de H.H.G.H. Kuiper, voor den Kerkeraad gesteld
21 Naast haar evenwel loopt een andere strooming, die, uit de ofllkerkelijke wereld gebannen, zich te krachtiger voedt uit een Bij liaar geen gestadig wisselen van overtuiging, kern der Gemeente. maar door alle schermutselingen heen steeds een vasthouden aan dezelfde banier. Bij haar geen vrede met den bestaanden toestand, hoe schijnbaar rechtzinnig zich die in den aanvang ook voordoe. Ze vindt haar kracht meest in de kleine burgerij, gesteund door enkele mannen
cieele
van aanzienlijken huize. Onverzettelijk tot lastig wordens toe, laat ze niet af, eer haar eisch om het oude Christendom, mits bloeiend op den wortel des geestelijken levens, haar door den gunst der tijden is toegewezen. Zij is in het besproken tijdperk niet op het kussen, maar klopt eerst zacht, straks luider, nooit sparend, door geen teleurstelling ooit afgemat, aan de deur der kerkekamer. Aan de beweging der Afscheiding ontleende zij haar eerste, aan die van het Réveil haar tweede kracht tot actie, en werd beidemaal gesteund door een anderen kring in de Gemeente, die door beide bewegingen even weinig aangegrepen, eenvoudig de stille traditiën der Gereformeerde kerk in eigen huis en Eerst spot de Kerkeraad met haar optreden, conventikel voortzette. straks bejegent hij met weerzin haar rusteloos klagen, allengs begint hij den ernst van haar pogen te beseffen, om, beurtelings haar fel bestrijdend, beurtelings haar toegevend, de ongelijke worsteling voort te zetten, tot eindelijk de kansen zich beslist tegen den Kerkeraad keeren en sinds 1867 de eertijds oppermachtige partij het veld ruimt, om der lang teruggezette richting sinds 1869 het bewind der Kerk in handen te laten.
Met welke mate van sympathie de Kerkeraad het optreden dezer «ontevredenen" begroeten zou, kon reeds worden afgeleid uit zijne besproken bejegening van den heer Capadose, toen deze het waagde bezwaar in te brengen tegen een voorgestelden ouderling. Hoe volkomen in zijn recht de heer Capadose bij zijn aanklacht was, blijkt wel overtuigendst uit het feit, dat de Kerkeraad de gedane benoeming introk en den heer Brasz uit het Presbyterie weerde. Toch, hoewel er punten in zijn aanklacht waren, die door beide getuigen bevestigd werden, vond de Kerkeraad goed, de gedane aanklacht als ongegrond ter zijde te schuiven en dat wel onder deze heusche bewoording: „En heeft de Kerkeraad daarenboven geoordeeld, dat zij alle reden heeft, om op den beschuldiger, zoo uithoofde van den door hem gekozen tijd van aanklacht, als van wege zijne verkeerde oordeelvellingen over personen en gevoelens hier en daar geuit, ontevreden te zijn, en dat er tegelijk in de door hem geleverde stukken, onnauwkeurigheden en zeljs omvaarheden voorkomen." ')
onmogelijk vonnis, én de traagheid, waarmede de zaak behandeld werd, én geheel de wijze waarop men den beer Capadose zijn geraaktheid toonde, ~) verried reeds in 1825 den wrevel, waarmee men een tiental jaren later zijn geestverwanten bejegenen zou. Van ter zijde werd dit nog door Dj'. Kohlbrugge in
Én
in
dit
quaestie
XXXV
d.d. 23 Juni 1825. Kerk, Art. 2. Zie een en ander breedvoerig door den klager zelveu meegedeeld in Dr. CapaDOSE. Wederroejnng der benoeming van den heer R. Brasz. Aant. Ib25. p. 'oó 73. »)
Act. Bijz.
2)
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1872
Abraham Kuyper Collection | 145 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1872
Abraham Kuyper Collection | 145 Pagina's