Litterarische fantasien en Kritieken - pagina 14
6
E.
neer
statig
een
zijde
hen
ook
de
in
die
enkel aan deze
niet
maar ook hen
;
,
die
maar
ten arbeid spoeden en slooven;
spelevaren,
den ganschen Haag, maar half Holland in zijne krachtige,
ons
kernige,
dat
eilandje
de
ik
en
vocht
soms
zinnen
korte
het
op
er voor ons
als hij
,
;
het eerste bewind voeren
in
laatste
doet
en aan gene zijde eene lindenlaan, maar
hofgesticht,
,
weerkaatsen
in
de zwanen, welke wij
als
op drijven zien
sierlijk
wereld
halve
eene
zoo
,
POTGIETER.
wieken klept
de
bijwijlen
hij
zoo
er
J.
in
verder
te
niet de
verzen
wiens standbeeld
Of
vijver staan moest.
vergelijking zijne
Hnygens,
weergeeft;
den
in
voortzette,
als gij
dnldt,
er tnsschen dat
is
overeenstemming, dat beide zich
engen band voelen gekneld, als de herfstadem over
het eerste giert, als de hartstogt zich in de laatste lucht geeft?
„Een zien
onderscheid
het
:
verschil
voegt
echter
evenmin voorbij
ons
het
diepte tusschen die twee
in
;
te
doch wie heeft
ooit
een beeld geëischt, dat meer dan voor een derde toepasse-
lijk
was?
En daarom
kens
riüschende
telings
stouten
der
kust,
al de schalk heid
rende naar
,
van welke
gebeukt. gelijkenis,
dwang;
verzen,
van
het
was toen ,
zich luiste-
die
de binnenzee,
de
muur
bezwijkt,
spiegel
van
ruischen
allen
de kracht
al
door
lust,
golfjes,
als
westen gestreeld; verzen, die bulderen
schrik
eene beek,
getuige
zij
haar
sedert
herkent de zangster van Hooft aan hare
Gij
die
—
—
bewustzijn heeft, hoe luttel voor de
zij
wateren
eeuwen
de Zuiderzee op de
drongen,
boschaadje
de
waarvan
harer
als
torentje het voor ons in
weidscher tinnen wint;
verklappende
dubbele
het
van
haar gemurmel boog
verkondende, woeling
waar een vervallen
door
zonnestralen
slaande,
golfslag
belang
aandoenlijk
de
u voortgaande eene
niet,
wij
beek langs bloemrijken boorcP, beur-
eene
als
een
zoomen
aarzelen
poëzy te herinneren, beurtelings zachtkens en zoet-
hollandsche
noorden
gezweept;
van allen
geesel
door den adem van als
baren, door den
een stoet van
nimfen, die
spelemeit; een verdrukt volk, dat zijne boeijen breekt.
„Doch oog en
het
lijking drie
waartoe meer tegenstellingen, die u van zelve in het
vallen,
overvloed
majestueuze toeft
ons
van
deze
treurspel
voor
eene
als het weelderig minneliedje
opleveren? veelzijdige
Eene poëzy,
laatste
dan
verge-
eene
der
vermelde heeten mogt, voor de poëzy van Vondel, vaart,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1873
Abraham Kuyper Collection | 230 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1873
Abraham Kuyper Collection | 230 Pagina's