Revisie der revisie-legende - pagina 31
»PUBLYCK epistel" AAN DR.
om
gaande onkiesehhéid kon hebben,
Van Oosterzee
als
de verre-
stichtelijk inleidingswoord
P. een
door zulk een persoonlijkeu aanval te ontheiligen; 2". een raoderameu, dat hem uitgenoodigd had, aldus te havenen
waarschuwen, derwijs op den kaak
vriend, zonder
29
VAN TOORENENBKllGEN.
J.
man
zoo vredelievend
een
hoe
verklaren,
J.
van het
lid ;
en
3".
een
te stellen bij het publiek.
die ik by uw uitval in '68 had werk en zweeg. Zweeg, hoewel Gij van achteren wel geiooveu zult, dat het mij niet zoo gansch onmogelijk ware geweest, om den hoogleeraar van tegeuredenen te dienen. Ik zweesf, wat meer no2 zeg-t, hoewel ik als lid van het moderamen tot
lutusschen geleerd door de ervaring,
opgedaan, ging ik nu voorzichtiger
te
spreken jure meo recht had.
Ik wilde geen oppositie maken, omdat ik den hoogleeraar nog privaat te kunnen winnen, en ook wijl ik aan het wisselen der blikken
meende
hebt
broeder,
lieve
Van
merkte, als wilden ze
velen iets
bij
nu eens
ge
Oosterzee toewenken
gedaan!"
kostelijk
ik bedoel:
:
„Dat, er
was
verstandhouding.
blijkbaar
daarom iets anders. Ik begaf my namelijk den avond van dag naar het huis van den hoogleeraar, en, op zyn studeeitoegelaten, deelde ik hem onder vier oogen mijn billijk beklag
deed
Ik
dienzelfden vertrek
hem
mede,
mg
en
indien
verzoekende
bereid verklarende,
het gesprokene te willen
nogmaals
om
herlezen;
van verweer en zelfverdediging af te zien,
de hoogleeraar zoo heusch wilde zijn,
uitgave van zijn stuk
bij
de voor mij insidieuse zinsneden en qualificatien weg te laten.
Maar ook met zelfbeheersching bleek geleerden
niet verder te
ik bij
komen.
zeer heel en stijf; zei, dat hij eens zien zou
de
;
toongevende
schrift-
Oosterzee ontving
me
en zond toch naderhand
zijn
Van
Althans
den politieken tinnegieter" onverwaterd in het licht. Niet nu ^an achteren komt diezelfde heel vriendelijk, niet waar? En toch hoogleeraar mij aanklagen, als wierd hy door mg, om met zijn eigen uitcarricatuur van
drukking
,,
spreken, „gedecimeerd." Behoefde het mij dan nog duidelgk
te
uwe kringen, waarin men zich het monopolie van wetenschappelijke orthodoxie toeschreef, het kwaal zeer waarde Broeder,
worden,
te
ten
volle
van
den
tegen
dat in
bci-loten was,
mij
weerspannigen
Broeder
en dat
tot
het
men
reeds voor de executie
nemen van de
voorloopige
maatregelen voortschreed.
En
toen
het
er
dan alzoo met mij aan toe stond, hebt Gij toen in
dien kring voor mij gepleit? Heeft oude vriendschap, heeft de herinnering
van toen
geestelijke
zooveel
rechters
banden,
op
U
of
heeft het sodalitiiim studiorum ten
vermocht,
dat
Gij
het
in
minste,
den kring dezer harde
voor den afwezigen vriend opnaamt?
Och, mocht ik de wetenschap maar toedekken, mijn Broeder, die ik
desaangaande van
alle
kanten opving!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's