Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Revisie der revisie-legende - pagina 64

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Revisie der revisie-legende - pagina 64

3 minuten leestijd

REFERAAT OVEE DE BELIJDENIS.

62 Hebreen dus

en

verkeerds,

iets

arnplecti nequeat,

Confessione

brandmerkte hij het terhum aliquod duriui

en

zendbrieven,

onder Paulus' als

«

quis

een infirmitas, die volstrekt

een infirmitas,

als

tel

niet

locutioiiem

in

normaal mocht

maar hoogstens voor een tijdlang forte tolerari poterit ^^). Bovendien de woorden eener verklaring van haar in/ioud te scheiden, zou bij elk ander stuk althans in onze dagen naar ieders oordeel ongeoorloofd zijn, daar die woorden juist de vorm zijn, waardoor die inhoud waarneembaar wordt. Het had echter kunnen zijn, dat men dit in de eeuw der Hervorming minder streng opnam meer speelruimte liet. Maar ook hier bewijst de historie het tegendeel. Wil men een officieel advies, welnu, de Nationale Synode te Dordt in 15 36 zijn,

.

sehouden, schreef in haar advies over Herman Herberts: Daf 't kennelick is, dat de icoorden en letteren daartoe werden ghehruyct, opdat men zijn meyninghe daerdoor zoude openbaren'^; die van 1618 betichtte juist de Remonstranten van een ambitjne loquendi nioditê ^), en legde zichzelve met volle borst ook op de der confessie toe *). Voetius die in denzelfden tijd leefde, stelde pliraseolof/ie

den eisch,

quani fieri potest inaxime perspicuis, distinctie et ab omni 2\eino potest excmari a Jtaeresi, loquutionibm =").

ut confessio

ambiyuitate

conciperetur

libris

DEFiKiTioyi contrarinrn, defendit

zegt Streso, qui quenicurnque errorein, Ecclesiae

*').

En hoe nauw de ontwikkeling van vorm en inhoud saam moest gaan, toont de vooral in Gomarus opmerkelijke uitdrukking, dat er niet alleen een vordering in het inzicht der waarheid,

maar ook

roortfjang in

de maniere tan spreken was

"*).

vorm en inhoud, maar tusschen hoofdOf en bijzaak is bedoeld, ook dan is mijn antwoord gereed. Buiten kijf onderscheidden onze vaderen tusschen articuli fundamentales et non fundamentales. „2\ectssaria a zeot men, niet de scheiding tusschen

necessariis et probabilia a minus propabilihis distinguenda esse," leerden reeds de qua sine aequitate nurnquarn vel in Eccle»iis, Dordtsche vaderen, en ze voegden er bij rel in scholis ulla spectari potest pax ^). Ondervraagt men hen echter, wat ze met de non necessaria bedoelden, dan zegt Zanchius ons: ditersitas doctrinae erit in rebus non essentialibm, qualis esset, siquis (citra pertinaciam) assereret, Cliristum, non vi tantum et rirtv.te, sed praesentialiter ad inferos descendisse : rel, Animas non statim solutas a corporibus erolare in coeluni : item animas non esse ex traduce sed creari de novo. Aut siquis negat perpetuam Mariae virginitatem ^). Aut etiatn iiou

:

haec

diversitas

nostra tempora

erit in i^).

ten de confesssie. doctrinae zelve. dit substanz

quotidana

interpretatione

scripturae

et

accomodatione ad

De niet fundamenteele artikelen lagen dus niet in, maar buiWat ze in hun confessie gaven, werd dus almeer de substantia

„Harumb, zoo

unsers heijligen

we

lezen

Glaubens

in

in de dits

Bazelsche

Confessie,

habend wir ^^). Ze

rolgend Bekanntniss begrifen

mannen uit één stuk, en beseften, zooals Trigland zegt, dat „als maar eenen artikel van de Leer der salicheijt terloochent of terduystert werd, de andere mede moeteti opgelost of geloochent worden ^-). De confessie was een minimum, waren

'

waarbij

men

zelfs

niet

altijd berustte.

Reeds

te

Wezel werd bepaald, dat men

soms, ook ua onderteekening der Confessie, tan alle voorname stukken der Lere En evenzoo werd door de Dordtsche vaderen in zake onderzoeken zoude ^^j. Welsingii besloten, dat men ook, na onderteekening der confessie „insuper zijn rechtzinnigheid rolkomener onderzoeken zal" '^^j. Vraagt men eindelijk, of dan

de Schriftcitaten en argumentatiën grepen wareu, dau antwoord ik

')

')

4.

Ib.

')

Gomarus 74.

Herberts 20b. p.

125.

Wallenberg

acta Sessie 176.

^)

365.

mede in

in

de aanvaarding der

principieëlen

bevestigend,

confessie

zoo

be-

men ook

'*) Voetius 3a. 18. «> SVaileubeig 3(jtia. *) Ib. '297. ^) Acta 7. Wallenbers 3371. Act. D. 310. ») en »«» Zanchius, de Eccl. "> Nieraeier p. 79. »*) Hooyer 383. "; Hooyer 40. ") Post-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's

Revisie der revisie-legende - pagina 64

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's