De leidsche Professoren en de Executeurs der Dordtsche Nalatenschap - pagina 110
106
BIJLAGEN.
curatoren" gezind waren,
aan Vossius en Barlaeus gebleken. Ieder kan het nalezen bij die de BesohUicn vcm Holland getrouw heeft gebruikt. het was gewis niet om de door Dr. K. willekeurig aangenomen leden. dat de «nieuwe Staten" en Jiunne curatoren de onderteekeuing niet toelieten. Het was (of 'men het hebben wil, of niet) omdat zij de lioogleeraren niet wegens iedere ovei-schvdene consideratie" wilden gedaagd zieji voor de Provinciale Synode. Toen ik mijn »Brief" in de Stemmen voor Waarheid en Vrede schreef, wilde ik niet tieden in de beweegreden voor het verzet, hetwelk de onderteekeningsformule vond. Men leest daar: .)Dit daargelaten, verauime men met op te merken, dat bij de Leidsche Faculteit in 1620 het door de Synode «blijkens hare acte" bepaalde werd vervangen door eene eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring." Ik voeg er nu nog bij, dat dit geschiedde onder de leiding van warme vooi-standers dier Synode. Hierom was en blijft het mij te doen, omdat daarin «het beginsel steekt", waarvoor ik opkom.
Wagenaar
Genoeg
(X.
bl.
388,
is
vg.),
:
Dr.
6o. Dit
tegenbetoog, met verzoek schreef deze geleerde er bij
J.
J.
om opneming
van TOORENENBERGEN. aan
De Heraut
toezendend,
:
Een paar regelen, naar aanleiding van het in uw laatste No. door Dr. K. aan zijne argumenten toegevoegde, mogen mij hierbij nog vergund zijn. De toon van dit laatste is hooger dan de bewijskracht, en het voornaamste is in het bo\enstaande reeds beantwoord.
Dat dezelfde Professoren, die de Synodale onderteekeningsformule ter zijde legden, haar negen jaren later voor de Doctoren in de Theologie ver|)lichtend stelden, is alleszins natuurlijk, daar zij voor de predikanten, die konden gepromoveerd worden, geen aanleiding
mochten te weeg brengen, om zich tegen hunne verbintenis als Dienaren der Kerk op eene minder stricte als Doctoren te beroepen. Het Doctoraat was ook als een dienst inde kerk opgenomen. Zie Art. 11. der Kerkorde. Nog heb ik iets te zeggen bij mijn beweren, dat het formulier van onderteekeuing in kwestie niet door de Professoren Polyander, Thysius en Walaeus mede was vastgesteld." Ik bedoel met dit beweren, dat zij geeiie concludeerende stem in de a|)probatie van het Formuher hebben gehad, terwijl van hunne adviezen in dezen niets bekend is. De Piofesforen in de Synode hadden in de Kerkzaken slechts eene adviseerende stem. Dit blijkt duidelijk b. v. in de behandeling van het voorstel tot eene nieuwe Bijbeloverzetting. In de 7<le zitting hebben zij na de buitonlandsche Godgeleerden, evenals dezen, hun gevoelen over de noodzakelijklieid van het te ondernemen werk gezegd, en in de Sste zitting door de afgevaardigden der Nederlandschen Kerken (Pastores et Senioies) geadviseerd eu 18 gestemd. In de 15G»te zitting {Post-acta) zijn de artikelen van de Kerken-ordening in de substantie van alle de Gedeputeerden, Predikanten en Ouderlingen, van iedere provincie xgeapprobeerd." Dat zoo ook geschied, is bij de «approbatie" van het Formulier van onderteekeuing meen ik te mogen aannemen. Doch ik herhaal hier nog eens: de hoofdzaak, waarom het mij te doen is, is dat in 1(520 de ijrofessoren te Leiden het door de Synode van Dordreclit vastgestelde onderteekenings-formulier hebben ter zijde gelegd en vervangen door eene «eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring." Met de bede, dat welhaast dergelijke punten, bepaaldelijk tusschen Dr. K., aan wiens historischen zin en wetenschap ik gaarne nog altijd hulde doe, en mij weder zouder groote woorden en zonder bitterheid zullen kunnen besproken worden, noem ik mij
UEd. Üw. Dienaar, J.
Het werd 7o.
geplaatst in
Inmiddels
De
was door
Ileraui
inij
van
,1.
VA.\
TOORENENBERGEN.
19 Januari 1879.
reeds in de
Haarlemsche Courant gedupliceerd dit céne punt Dr. Van
met belofte om later in een afzonderlijk geschrift op ïoorenenbergen „eens uit den zadel te lichten": ,
WelEdele Heeren! Uit een j)articulier schrijven van Dr. J. J. van Toorenenbergen, gisteren door mij ontvangen, bleek inij tweeërlei: 1. dat een antwoord op mijn vroeger ingezonden stuk van zijne hand in uw geaclit blad, aan mijn opmerkzaamheid ontsnapt was; en 2. dat ZEd. zich thans openbaart als den amniiemen steller van de Gereformeerde Brieven. Vergun mij daiuom. op beleefd verzoek, nog het volgende in uw kolommen te mogen zeggen. Dat Dr. Van Toorenenbergen schrijver dezer brieven was, wist ik niet. Eer was mij, bij ojjzettelijk ondei-zoek, verzekering gegeven van het tegendeel. Had ik dan ook geweten, wat ik nu weet, ik zou mij wel gewacht hebben van "onkunde" te spreken bij een man, die in kennis onzer historiën leeds vergrijsd was, eer ik aan deze studiën begon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 116 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 116 Pagina's