Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Twaalftal leerredenen - pagina 157

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twaalftal leerredenen - pagina 157

(eerste en tweede zestal)

2 minuten leestijd

RUST DER ZIEL

haar

ze

half

zingt

Welaan,

deel

de oogen, en roep het dan

booze zonde

de

menschheid, en de zonde

Thans

!

!"

ziel:

lavastroomen

met

en

uitgegoten,

»Dat

Ziet als een berg

een vuur, rommelend in

als

krater

zijn

is

vrucht

weer

opgeborsten

zijn'

geronnen bloed

het

is

zijn

de berg

:

zonde heeft vuur gespuwd. Daar, op het slagveld,

der

god-

zoo ge

zie,

met een verscheurde

uit

o,

haar

van

"«vijzen

zonde?" vroegt ge soms

van die naamlooze ellende onder

uw wrange

is,

is

157

de grenzen over, en

trek

een

kunt,

ingewand.

de

al

den einde. »Wat

tot

geloovig.

dragen

het

en

bloedfeslijn

onteerend lied

DE ONRUST DER TIJDEN.

BIJ

in

de

het

gestold. Maar al houdt straks haar uitbarsting op, daarom het zelfde vuur niet zieden en koken in zijn ingewand'? Of zonder beeldspraak, al neemt die krijg welhaast een einde, blijft daarom het vuur, dat hem ontbranden deed,

doodsdal blijft

met

niet

even

menschheid? vuur

opvlamt,

hart?

eigen

schaamrood,

uw

uit

mede

hart

aan

En nog bewaren

vallen,

de

ge

zoudt

zult

Is

slag?

Was

beeld,

en

bergen

en

bodem

der

is

het niet

uw

en wordt ge niet

niet,

Die krijg

des Heeren, ook

zelf

zijt

vonken is

is

ook

gij

zijt

met uw eindeloos in het midden der geweest,

waardoor

ontbrand.

niet vreezen, die u

door Zijn genade

ge niet innerlijk verteeren door het vuur

uw

binnenste gloort?

Hoordet ge dan

Hij nederwierp? Is hij

dan

niet

niet ge-

hooggezeten vorst, dien gansche volkeren dienden,

die

?

God

machtige dien

machtige

gen zag

zelfzucht,

werd, en ook die krijg

moet,

dien

naam

gevaarlijke

dier

der zonde, dat in

van

dan

dat vergoten bloed, gij

uw

met één

krijg mogelijk

u

gij

zeg het u in

ik

;

gij

menschheid

het menschenhart,

niet

eene doo'delijke zonde huist?

schuldig

begeeren,

den

wiens hart de kiem van zulk een vernie-

in

gij

van zulk

ling,

het

schaamt

onder

bodem, waaruit dat verteerend

verzengende

is

O,

smeulen

hitte

felle

Die

naar wiens gunst

keizer, hij hij

ziet

niet

niet

een

rolde

men

de koningen din-

gevallen, als verpletterd door een enkelen als

steen

aan

in

DanièTs aangezicht, dat grootsche

werd losgewenteld van den top der

tegen

dat

beeld en vermaalde het tot

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's

Twaalftal leerredenen - pagina 157

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's