Twaalftal leerredenen - pagina 240
(eerste en tweede zestal)
240
GODSDIENST
EN
ZEDELIJKHEID.
tuigen is geeft, vinden we, tegen den eisch van ons denken
Want immers,
gedurig in het leven terug. zich niet rijmen
daar
met het geloof aan
liet
in,
zoo het schuldbesef
vrije
genade, en eerst
kan komen, waar het zedelijk leven wortelt
tot bloei
in
eigen kracht, dan zoudt ge het schuldbesef te snijdender moeten vinden, hoe
mensch
meer het geloof aan eigen kracht
ontwikkeld
En
bad.
menschenhart wordt
vereischt,
om
nu
niet
den
van het
u door de feiten des levens
overtuigen, dat juist het tegendeel alleen
te
zich bij
niet veel kennis
toch,
waar
is.
Ik spreek
van wat velen, die gelooven, van hun schuld en zonde
belijden. Nog altijd zou men bij zulk een uiting aan een vermoeden van overdrijving plaats kunnen geven. Neen, we moe-
ten
breeder veld kiezen voor onzen blik, en als
ik
dan eener-
de schoonste verheffingen van Gods almacht op het gebied
zijds
des zedelijken levens, de roerendste lofbezinging van Zijn
machtige genade
vrij-
en andererzijds de zangen nasla, waarin
leg,
met een toon van onuitsprekelijk smartgevoel, van zielverterend heimwee,
als
diepten van het graf, het schuldbesef u
de
uit
dan vraag
tegentrilt,
ik,
wie uwer
reeds vooruit weet, dat
niet
de lierzang van het schuldbesef een zielsuitgieting van dezelfde lippen zal blijken, die
En
enger
kring dat
anders
niet
hem
trekkend,
thans
weleer.
Ook
wanen,
dat
in
de
de schok,
vrije
genade bezongen.
den geloovige vergelijkt
zelf het schuldbesef,
zielswroeging van
zijn
bij
immers zou men, oppervlakkig oordeelend,
de ure der bekeering het schuldbesef het
om
zijn,
delijk schier geheel
door
bij
verteert,
hier
dendst moest
Gods
vindt ge het, M. H., zoo ge, den gezichts-
daarna allengs af
te
nemen,
verdween. En toch, niets
is
er,
tot
snij-
het ein-
dat zoozeer
ervaring des geloofs wordt weersproken. Zeer zeker, in
de ure, toen
terend, gelijk een
God de
boom, dien men
ziel bij
aangreep, was verplet-
den tronk afbouwt, den
bodem door zijn val doet dreunen. Maar toch de man, in wiens ziel God de Heer daarna met zijn handgreep inging,
om weet
ook dien
afgehouwen tronk der zonde
het, hoeveel
zwaarder arbeid der
wortelen der zonde worden losgewrikt
ziel
los te
het
en de
is,
fijne
woelen, die als
ook de
vezelen der
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's