Revisie der revisie-legende - pagina 54
ANTICRITIEK OP DR. VAN TOORENENBERGENS TWEEDEN AANVAL.
52
is, en dus uit de lioegenaamd mag of kan worden afgeleid. Alsof men in de 17e eeuw tegen tien uren zijn kop koffie niet ging drinken, en juist in de pauze dan gelegenheid voor korte Commissiën had. Maar, goed, ik neem dan nu eens aan, dat Gij juist hebt gegist; edoch, zeer waarde Broeder, dan komt dit vermoeden mij uitnemend te pas, Z7 allerongelegendst Want V. waren dan Walaeus en Thysius er wél bij, wat mij volkomen voldoende is; en 3". zou Polyander indien hij er niet meê eens ware geweest, juist plichtshalve hebben moeten blijven en opponeeren .... tegen een voorstel dat bijna zeker doorging. Wegblijven is geoorloofd als de zaak toch loopen zal, gelijk ze naar uw maar plichts verzaking, als er tot contraactie naar overtuiging moet loopen uw overtuiging oorzaak is.
kent, weet,
dat
successie van
er van
momenten
proces verbal geen de minste sprake niets
;
h.
De om
politieke gedelegeerden zullen de professoren genoeg geïntimideerd heb-
hen van medewerking tot vaststelling van zulk een formulier af te houden. Valt ook af Rivet. Al aanstonds zondert Gij hierbij zelf Thysius uit. Blijven dus alleen Polyander en Walaeus. Maar overmits Walaeus toen nog geen van de Staten van Holland hoogleeraar te Leiden was, kon die intimidatie (anderen hadden met Leiden uiets te maken) ook hem niet deren. Bovendien, nu we weten dat èn professoren en Staten in de onderteekening der formule zouden bewilligd hebben, indien maar de correspondentie met de Provinciale Synode werd toegestaan, en er van deze correspondentie bij de onderteekeningsformule zelve geen sprake was, vervalt elke grond voor het vermoeden, dat de formule op zichzelf aan de Staten mishaagde.
ben,
Walaeus maar de Zuyt-HoUandsche deputatie zal het formulier in Niet c. concept hebben gebracht. „Ket stuk is wel gewit, zegt ge, uit dien hoek!" „Wel gewis !" waar uw gissing puur en simpel op een door niets gestaafd
vermoeden rust. Zoo komt men ver. Dat Walaeus auteur zou zijn geweest, gaf ik zeer bescheidenlijk slechts als „vermoeden" aan. Beaamt Gij dit niet, laat het dan glippen. Daar steekt niets zal worden. in, en ik eisch allerminst dat mijn vermoeden door U mij gegund Eer komt het mij recht en billijk voor, dat Gij al aanstonds begint, met door al wat ik slechts „vermoed" een schrap te halen. Maar wat U uiet vrijstaat en wat ik niet mag laten doorgaan, is, dat Gij nu, op Uw beurt. Uw vermoeden merkt met het merk van „wel gewis"! Certum et verisimile a se invicem compellendi vi in arffumentatione distant. d. Ondenkbaar, onmogelijk is het uws erachtens dat de hoogleeraren meegewerkt hebben „aan de politieke artikelen over hooger onderwijs."
Het
zij zoo. Ik zal daarover niet met u twisten.
Maak zoo iets eens uit! onderhavig geschil af? Immers de onderteekeningspolitieke bepalingen uit deze artikelen, die de macht der Staten en gaf slechts „lichaam en vorm" aan de relatie van „hoog-
Maar wat doet formule
liet
alle
raken, ter zijde, leeraren
en kerk.''
Gesteld
dus
hoogleeraren al, Gij kondt bewijzen, wat Gij niet kunt, dat de hebben bestreden, dan valt hieruit nog geen de minste conclusie trekken ten opzichte van de formule, waarbij juist de kritieke punten onaan-
deze artikelen te
dit tot ons
ytroerd bleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 176 Pagina's