Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Twaalftal leerredenen - pagina 26

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twaalftal leerredenen - pagina 26

(eerste en tweede zestal)

2 minuten leestijd

26

BEDESTOND OP DEN HERVORMINGSDAG.

waar

en

daar

de

Ezra

grijze

ook

het

is

het avondoffer de knieën buigt,

bij

betuiging:

zijne

mijn God,

»0,

ik

ben be-

schaamd en schaamrood geworden, want onze ongerechtigheden zijn

boven ons hoofd vermenigvuldigd, en onze schuld tot aan den hemel."

tot

is

geklommen Welnu, der

dien

in

ballingschap

vaderen, biddende uitstortte

»een

geest zich

om

was het ook dat Daniël

in het

wierp

God

aarde

ter

redding

uit

een bede, waarvan

in

den nood, en

hij

van zonden" was.

belijdenis

zijn

land zijner

smeeking

zelf zegt, dat ze allereerst

Bij

ons de beschaamdheid

bij

den Heer onzen God,

der aangezichten en barmhartigheid

we door

dus luidt de grondtoon, dien

voor den

geheel

hooren, en die u de voorliefde verklaren

zal,

bede

zijn

waarmee

trillen ik juist

dat schriftwoord deez' avond koos.

Immers het zou bedestond niet

elk,

komsten

onderscheiden

deez'

avond

zijn,

en, dat voelt

moet het biduur van andere samen-

daarin

slechts

zijn,

dat de

vorm van onze eeredienst Een bidstond

gewijzigd, of het gebed ietwat uitgebreid worde.

moet een feit zijn, een geestelijk feit in liet leven van elk, die met zijne broeders de hand op het offer der gebeden legt. Er moet van zulk een bidden een zegen uitgaan of een vloek. Een

vloek, zoo van

uit

den en

slechts een bidden in schijn

het

den hooge ook

uitbreidt

tot

het

tot

ons spreekt

:

en de Heer

is,

»Wanneer

gij

de han-

gebed, zoo verberg Ik mijn aangezicht,

uwe smeeking

vermenigvuldigt, dan hoor Ik niet." omdat het dan een spelen is met den Heilige, en elk spotten met onzen God verdervend op ons zelven terugwerkt. Maar .... zoo niet, zoo we in oprechtheid bidden, dan kan het gebed nimmer krachteloos zijn, omdat we dan als

Een

gij

vloek

zeg

maar klanken stamelen, maar tot een Hoorder der gebetot Hem, van Wien die nood ons kwam, en Die

niet

den

roepen,

alleen machtig Ziet,

kerk, op,

ik,

is

wanneer over

ons

onzen rampspoed van ons af de volk

te

wenden.

Gods over ons zijn in land of ons huis, dan merken wij eerst niet

gerichten of

maar beginnen toch

allengs te klagen en te duchten wat

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's

Twaalftal leerredenen - pagina 26

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's