Twaalftal leerredenen - pagina 170
(eerste en tweede zestal)
170
RUST DER
Nog geen
der werpen.
beschaving
der
dusver
aan
voert ge ons,
van vooruitgang. Een wilde haat
we
o
!
haten...'"
te
met u begeeren
we
maar
gij
Heeren,
des
En
gij
den
om met
is
het
O
!
Ruk
af
die profeteerdet
gekweekt:
een bloedig
Amen om
bezegelen: „geneigd
te
wilt ons
van vrede spreken,...
gemeente
naar die afgebeden toekomst de
kunt
zijn.
weerspreken M. H.
niet te
is
gij
dien, naar vrede zucht ook de
leidsvrouw der volkeren niet
Het
Haast
uw schaduw
in
is
woord van onzen Catechismus
den naaste
eeuw wat
bezeten door een onmachtige woede,
die vernielen, die verdelgen wil, als
het
overtreft.
den Oceaan, geklommen.
Terug
een gansch volk zien
vredes,
vijfde oorlog, die al
dat van twee millioenen, hier en
tot
van
zijde
blinddoek!
uw
reeds
schriklijkheid
in
slachtoffers,
gindsche
dan den
eeuw des
twintig jaren o,
dit is
werd
gezien
uwer
cijfer
en
!
DE ONRUST DER TIJDEN.
ZIEL BIJ
Droef slaat de
!
tijdgeest
machtdaad des Heeren neder. En zou Zion verheugen ? Dat Zion, dat rusteloos tegen die eeuw
blik voor die
zich dan niet
en
getuigd,
heeft
met
volle borst
gezongen heeft: »Ze zullen
met het water werd teruggewezen. Zij, die in de ontfermingen des Heeren het eenige ware medicijn aan de sponde der kranke menschheid bracht, en met de goden onzer eeuw
ons niet hebben des levens
tot
de volkeren
verachting bejegend werd.
de
en
getuigenis
het aan moest
mag
mij,
!
zien,
!
Zij die
kwam, en met
Zij,
die
spot
geroepen heeft: »Tot de wet
Land, land, hoor des Heeren Woord
hoe men
!"
en
de ooren dicht stopte! Zegt het
dat Zion dan nu niet juichen, nu het de artsen met
het bedriegelijk medicijn ziet wijken van de sponde, nu er naar
weer gevraagd, nu zij weer geroepen wordt. nu hare ure weer komt, dat ze als reddende Engel de breuke der volkeren verbinden mag. Ja, al werd dan ook straks, bij terugkeer van verademing, haar hand weer afgewezen, redmiddel
haar
Niet juichen,
al
dan nog vraag ik, mag Zion nu de Godin onzer eeuw althans eene wijle haar verlaten zag ? Niet om haarzelve immers, maar om Gods
kon ze
niet blijvend redden,
niet juichen,
altaar
eere
was haar
worstelen,
en wie zou dan niet juichen, bid
ik
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879
Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's