Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Twaalftal leerredenen - pagina 14

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twaalftal leerredenen - pagina 14

(eerste en tweede zestal)

2 minuten leestijd

14

NABIJ GOD TE ZIJN.

hunne

van sterk verlangen",

ziel

wijl

de tegenwoordigheid des

Heeren boven- de arke tusschen Cherub's zweefde. Dat is het wat de Psalmist in woorden uitsprak, als hij den Heer „zijn burcht en zijn rotsteen noemde, zijn toevlucht en zijn hoog

Daarom

vertrek".

prees hij het „volk zalig, dat

klanken hoorde en dus wandelde in het

naar Jehova's van Zijn gunst-

licht

Nabij God te wezen, „Gods verborgen omgang' was de „zaligheid voor zielen, waar zijn vrees

rijk aanschijn".

vinden, dat

te

waarom

in woonde", dat het,

elke smart geduld en elke vreugd

der wereld verzaakt werd.

God

Nabij schien,

ieder

wezen! maar, zoo vraagt de lichtzinnige mis-

te

de Heer dan niet aan

is

nabij

God,

Maar

staan omringt.

zijn

wel gebeurd, dat er een gesprek ge

dat

uw

er

toch

den

weg,

bij

ook zonder dat

Nu

den had'?

geweest

dan, niet anders zijn nabij

de Alomtegenwoordige u en

uw

hart van

werd gevoerd, en

anders u aftrok en

als een, dien

hem

de plaats, waar

hij

vertoefde,

Hem

al

is

onzen God.

Het baat u

omringe, zoolang

afgetrokken

is.

Het

uw

is

ziel

geen

zijn nabij

uw

gedachten

bewogen

uw

niet

in

al

worde,

gevoel

Hem

al

de hemelen

te grijpen,

inleeft,

neen, niet

verbeelding,

of

pogen

uw

of

uw

niet of

verstrooid

stamele, of

Hem

lief

uwer woning overschrehet met het leven dicht bij

onzen God, of het geklank uwer lippen Zijn

verbeelding

ge

uitgegaan op

den Heer

uw

en

voet den drempel

Heer, met het

den

in

dus niet

het ook u niet

is

bijzijn

iets

ge dan niet wel met

zijt

hem uw

uw

Of omgekeerd,

gedachten bezighield?

hadt, van u ging,

in

omdat

niet bijwaart,

is

zelfs zijn liggen

vraag u weder,

ik

en

alle plaatsen,

de Heer voor ieder

wijl

lof al

of ge

met

gevoel voor

geklank of verstand,

moet naar

Hem

uitgezonden,

moet gaan, gij zelf moet nabij uwen God wezen, en dat kunt ge immers alleen in de diepste diepte uwer ziel. Niet op het zwevend veld uwer verbeelding, daar binnen

maar

gij,

gij

in die diepten

En

ik

maar

zelf

,

uws gemoeds,

ligt

voor u de poorte des hemels.

weet het wel, ge kunt die poorte nu nog toch,

ge

kunt

er door

henen gluren,

ja,

niet doorgaan,

ge kunt er u

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's

Twaalftal leerredenen - pagina 14

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1879

Abraham Kuyper Collection | 273 Pagina's