Open brief aan Dr. A. Kuyper, hoogleraar aan de Vrije Universiteit op gereformeerden grondslag, en redacteur van "De Heraut", alsmede aan de "Heraut"-lezers en alle gereformeerden in den lande - pagina 31
31 te
verdedigen
ik
over u schreef,
dat ik sints jaar en dag- schreef; ook in wat
is,
is
alHcht aan te wijzen v^at anders en beter
had knnnen gezegd worden. Alleen van „heftigheid en bitterheid" ken ik mij vrij. Ik heb den moed niet, gelijk gij, om dag aan dag anderen
moet
ik
incluis,
allen
bij
zeggen dat daarin het
u
buig,
ligt,
dan
—
Maar
hoewel ik voor God in
ik,
om
op adelaarswieken tegemoet,
als
bij 't
sterfbed
nu zoudt meenen en van de C. G. of ook van de
als gij
l-emnerJcendc
kom
uitste-
en voor den Heere
stellen;
te
op den kansel en
arbeid, tot
schuld belijden.
Vredébond
min goeden toon en
te bestraffen van^vege
kende verkeerdheden ten toon
onwaarheid spreekt en den leugen
Dan kom
dient.
't
stof mij
toonen dat
te
gij
ik fier, tot
roem van Gods genade, in uw aangezicht den volke inlichten, dat neen! niet onze of uwe gebreken, maar onze beginselen ons kenmerk zijn, en de kracht van onzen arbeid en, moet het, van onzen strijd, uitmaken; dat beginselen, met Gods eere verLaat mij u ook mogen zeggen dat ik bang ben van die menschen, en die woordvoerders of medesprekers, ook in de christelijke pers, die zoo vaardig zijn met hun vermaningen tot liefelijkheid; die zoo bonden, ons scheiden.
meest
het
bang een
zijn
van wat
enkel
„scherp"
zij
doorntje
aan
de
noemen,
rozenstruik
de schoonste en geurigste roos zouden
dat
zij
dan
kunnen dulden,
te
vertreden,
een viooltje verkiezen, dat zich gaarne gedwee en
Wat
liever
het volk noemt
of althans lief in
't
knoopsgat
laat
water",
velen van die soort zacbtmoedigen zijn die liefelijk-
bij
steken.
onder
„steeken
voor wie hen en hunne genooten
heden steeds „voorradig",
nl.
durven staan. Ook
van die weifelende, zwevende, geesten,
die
't
zijn er
wel goed meenen, maar een
man
uit
ergeren door dat draaimolenachtige, dat
maakt
te
nu
begrijpen, wat ze
't
één stuk telkens
u bijna ondoenlijk
al of niet willen, of ze
nu met
Dat vind ik in een Paulus, een Calvijx en niet. Daar hebt gij b. v. vele van die zoo irenische Ethische menschen hoe oorlogzuchtig, hoe woest, ware zij dikwerf tegen u, ook al hadt gij soms forsche bestrijding of tegen u
zijn.
LuTHER ganschelijk
;
met hoe
al te
vergoelijkende behandeling afgewisseld. Gunning
hoffelijk
was
die
zachte broeder niet
b. v.,
meermalen tegen de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 88 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 88 Pagina's