"Ons program" - pagina 403
STAAT EN KERK.
geen
dat
post kon
enkele gecontradiceerde
worden uitbetaald dan op
van den rechter.
definitief gewijsde
§ 307.
38?
Het Burgerlijk Wetboek.
Toch zou hiermee de taak der overheid Immers, hoe
niet zijn afgeloopen.
van aard de kerk ook
geestelijk
zij,
toch komf ze met
de verhoudingen der burgerlijke maatschappij niet slechts in aanraking,
maar moet bezit
en
van
ze
aan het gemeene recht vervallen, zoodra ze door
zelfs
goed, in betrekkingen van mijn en dijn tot geburen
stoffelijk
geïnteresseerden
waaruit over en weer vermogensrechtelyke
treedt,
betrekkingen geboren worden.
Zoowel wat tracteraentskapitaal of pastoralia; kerkelijke goederen
ofbona ecclesiastica; ad pios
usus
verhouding
ze
en diaconiegoederen of in wijdsten zin
betreft, behoort dus de buitenwereld te
tegenover
kerk
de
dient
staat;
bona
weten, in welke
het voor de kerk niet
twijfelachtig te zijn, in welke relatie ze zich tegenover de buitenwereld
en
bevindt;
is
het even noodzakelijk dat de rechter eindelijk te weten
kome, naar welken
heeft recht te spreken, als de kerkdijken
titel hij
onderling in geschil zijn over eigendom of recht van beheer.
De thans desaangaande bestaande twijfel spruit eenvoudig voort de ontstentenis in ons Burgerlijk Wetboek van eene juiste bepaling rubriek, waaronder de kerkgenootschappen vallen. is
En
op haar beurt weer veroorzaakt door de onzekerheid
genootschappen
beschouwen had
te
als
uit
der
deze ontstentenis ,
of
men
de kerk-
van publiek-, dan wel pri-
V a a trechtelijk karakter.
Die leemte moet dus aangevuld. dan;
Eerst
niet
op welke basis
En mochten we geven
,
dan
eer;
zullen de kerkelijke besturen,
staan, ook binnenskamers
zij
alsdan wetende
hun zaken regelen kunnen
dan voor de aanvulling van het ontbrekende een wenk
zou de Engelsche wetgeving ons in haar hoofdlijnen verre
preferent
dunken
geëigend.
Natuurlijk, niet voor wat haar kerkelijk-aristocratische, maar
,
als
het meest voor den aard van het kerkelijk leven
wel voor wat haar juridisch-politieke de
kerkgenootschappen
aan
zij
dan
niets
betreft, in
aan
zooverre ze namelijk
haar eigen confessioneele
liturgische en canonieke statuten bindt.
§ 308.
En geld
,
was
Rechten van den Staat op de kerk.
op dien voet eenmaal de finaucieele
dan zou de overheid zich
o.
i.
zijde der quaestie gere-
ten opzichte der kerkgenootschappen
tevreden moeten stellen met de eischen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's