"Strikt genomen" - pagina 32
het recht tot universiteitsstichting, staatsrechtelijk en historisch getoetst
34
EEN UNIVERSITEIT.
wetgever wel verklaren
tegenwoordige
wet
zal
verstaan,
hoe
zij,
die
gevat
ven
Tot
ze
wetten
dezen
Soms
men
zal
men
beroept
meening van
op de
dus
Wat, zoo
één
sommigen
er
gewaarschuwd, wanneer
Hiertegen
schrijft:
hij
door Nienhuis
is
sproken
meeningen hetgeen
van
enkele
leden
vroeger uitsprak
ik
geving
verspreiden,
zoo
meen
Tweede Kamer,
der
moet
wanneer
leggen,
is
ook het eigenlijke
en tevens de
in
haren
met den
zij
hij
tekst en
die
zin
en
antwoorden
met de gezonde
uit-
Die antwoorden toch bevatten niet
zijn.
stelsel
ter
van VonSavigny,
1 '
zijn
zij
1
).
(zie zijn Systetnl, 213);
onze jurisprudentie geldende opinie, blijkens het vonnis
van de rechtbank
waar de wet
wet-
licht over de
gegeven door éénen tak der wetgevende macht
Dit
en ik
enz.,
van den wil en de meening des wetgevers, maar
de uitdrukking slechts
de uitge-
ik echter, dat de uitlegger der wet zich
vóór alles aan de wet zelve moet houden, en dat
legging der wet in tegenspraak
uitstekend
welk gewicht ik ook hechte aan
:
antwoorden der regeering, welke niet zelden veel
zijde
zelf'
waarschuwde en waarschuw nog
„ik
het te veel hechten aan de antwoorden der regeering,
herhaal die
onzer
of van ééne
der Staten-Generaal
lid
gestor-
verklaring
eenige
voor
zich
Maar
moeten terngkeeren.
altijd ?
van éénen tak der wetgevende macht, de regeering in
vooral
hare memorie van toelichting.
tegen
eenige
geene mogelijkheid ons verklaren,
bij
moeten raadplegen
allen
zijn ?
afdeeling,
kan
hij
men
dat
wil,
hij
de wet gemaakt hebben, zijn voorgangers, haar wilden op-
zien.
men
zal
maar
hoe
,
Groningen dd. 16 April 1859, aldus luidende
te
duidelijk
is
„dat,
:
en niet onderscheidt, geen gezochte strekking
hare kracht
mag
veranderen, terwijl,
ook aan algemeene of bijzondere motieven,
men
welke kracht
opengelegd
memorie van
bij
toelichting of beantwoordingen van eenige vraag, door eenig lid der wet-
gevende machtsafdeelingen gedaan, mocht hechten,
om
valeeren,
wet
de
duidelijke
min om de wet
te wijzigen, veel
liteit"
(Rechtsgel.
zij
niet
kunnen prae-
woorden en den daaruit blijkbaren
Bijblad van 1860,
te
bl.
verlammen, ook 328)
in
zin
der
hare poena-
2 ).
Al ware het dus ook, Amice, dat enkele uitlatingen of verwijzingen bij
het
mondeling of
schriftelijk
debat in den geest
Uwer denkbeelden
spraken, dan nog zou ik elke verwijzing daarheen als bewijs wraken moeten,
zoolang niet eerst gebleken was, dat door de oeconomie der wet en hare artikelen
Uw
meening werd begunstigd.
')
Opzoomer, Aant. op de wet houd. algeni, bepal, der wetg. 3e druk. Ainst. 1873.
2
Ib.
)
aangehaald,
p.
107.
p.
1
95.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 214 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1880
Abraham Kuyper Collection | 214 Pagina's