Contra-memorie in zake het Amsterdamsch conflict - pagina 129
,
127
Ol'ENBAAK SCUKIJVEn/
De oorspronkelijke rechtstitel der pluatselijke gemeente wordt door Thorbeeke, Aanteekening op de grondwet 2'^'' nitg. „Voorzeker bouwde hij vanden beII. p. 22+7 dus aangegeven ginne af in de lucht, zoo hij eenig ander recht poogde te bewijzen, dan dat van iedere plaatselijke protestantsche gemeente :
afzonderlijk om hare katholieke voorgangster te vervangen." Wel wilde de staatsregeling van 1798 op die uitsluitende attriterugkomen doch in art. 13 der staatsregeling van 1801 werd bepaald: „ieder kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van hetgene met den aanvang dezer eeuw door hetzelve werd bezeten"; waar door kerkgenootschap de plaatselijke gemeente als rechtspersoon bedoeld w^erd, daar toen een algemeen met rechtspersoonlijkheid bekleed kerkgenootschap niet bestond. De Hervormde gemeente, die bij den aanvang dezer eeuw te Amsterdam was verkreeg een onherroepelijk recht op het voortdurend behoud van hetgeen zij toen bezat. Krachtens de vroegere Staatsorde oefende de magistraat over het beheer dier goederen het bij het innig verband van Staat en Kerk natuurlijk overheidsgezag en uit de stichting der kerken voortvloeiend jus patronatus uit. Dit duurde voort totdat bij decreet van koning Lodewijk Napoleon van den 2*ien Aug. 1808 was verordend, dat de kerkelijke goederen en fondsen, welke zijn onder de administratie van plaatselijke besturen en welke mitsdien geen of andere publieke beheering particulier eigendom zijn, zouden worden overgebracht aan de publieke schatkist. Erkennende dat de goederen der Nederduitsche Hervormde gemeente het particulier eigendom van dien rechtspersoon waren legde het gemeenttbestuur alle belieering daarvan neder en gaf ze over en liet ze in administratie aan de kerkelijke gemeente, welke daarvan op 1 Januari 1810 het gebruik en bezit zou hebben. Hieruit volgt, dat elke inmenging door het bestuur van een ander rechtspersoon in dat beheer, die administratie, dat gebruik of bezit, reclitsverkrachting en stoornis of spoliatie zou zijn, waartegen de plaatselijke gemeente vertegenwoordigd door de kerkvoogdij, zou moeten worden gehandhaafd en hersteld door den burgerlijken
butie
,
,
,
,
rechter.
De vertegenwoordiger
der gemeente tegei^over de burgeroverheid was zoolang nog geone kerkvoogdij of gemeentecommissie geformeerd was, ook voor deze materie de Groote kerkeraad, zooals deze destijds bestond. Dat lichaam ontwierp alstoen een reglement op het bestuur van die goederen, dat het, overeenkomstig de gebruiken dier dagen ter beslissende
lijke
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1886
Abraham Kuyper Collection | 136 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1886
Abraham Kuyper Collection | 136 Pagina's