Gomer voor den Sabbath - pagina 190
„MET
l86
MIJNE ZIEL HEB IK
U BEGEERD
" !
Niet zooals dolende godgeleerden zeggen dat iets te begeeren is, en dat de zonde eerst komt, als ge in uw ziel aan die valsche begeerte wilt toegeven. Zoodat dan ook Jezus heet, wel begeerd}, maar niet toegegeven te hebben. o, Neen, het gebod is volstrekt: „Ge zult niet begeeren." En zoo God iets anders bedoeld had dan zou dat er ook staan. Maar nu staat er: „Gij zult niet begeeren," en is dus het begeeren zelf ,
op zichzelf nog geen zonde
,
zonde.
Zonde, uit
om
verlangen van het leege hart naar vervulling naar de wereld in plaats van naar het Eeuwige
dat
strekken
te
Wezen. Niet alsof ge niet trek en neiging in u mocht gevoelen om het des levens te genieten; mits het maar zij een genieten uit Gods hand, en nooit in plaats van Hem, en tegen Hem in, en ,
goede
om
Hem
van
En
af te leiden.
mensch kan wiskunstig zeker weten of zulk een trek en neiging gezond en onschuldig, dan wel een zondig begeeren is, zoo ge maar onderzoekt, of het tegen God ingaat, of ingebed en dank tot Hem opklimt. ieder
,
En dat nu is eerst de ware proefsteen, waaraan ge den diep jammerlijken toestand van uw afvallig en afkeerig hart bekennen kunt zoo ge ook maar van éen enkelen dag eens nagaat en onderzoekt, waar uw hart heel dien dag naar gejaagd, naar gehongerd en om geroepen heefc. En ja dan zijn er uitgangen naar boven dan zijn er ontwakingen dat het kind zeggen mag: „Heere! mijn ziel heeft U begeerd in den nacht!" en dan zijn er insluimeringen, dat men met zijn ,
,
;
God mag
inslapen. helaas, van de vier en twintig uren, die elk etmaal heeft, hoeveel minuten dorst het hart naar den levenden God en hoeveel uren hongert het niet naar de goederen en genietingen der wereld! „Zoekt de dingen, die boven zijn," roept de heilige apostel, „en niet de dingen, die op de aarde zijn."
Maar
En Ga doen
toch
...
het leven der Christenen maar na. Sla ze maar gade bij het van zaken. Wat zeg ik, raadpleeg uw eigen leven van éen
enkelen dag maar. o, Dat IS onze diepe jammer
juist, dat eindeloos begeeren van leege, diepe hart, dat onstuimige, zij het ook bedekte begeeren van de schijngenietingen en schijnschatten der wereld, en dat, o, zoo zeldzaam begeeren, dat naar God uitgaat; dat het eens waarlijk was: ,, Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen ,
het holle,
zoo schreeuwt mijn
ziel
naar
U, o God!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's