Gomer voor den Sabbath - pagina 182
„IN EEUWIGHEID KIET DORSTEN."
178
Op velerlei wijs biedt het water zich u aan voor uw dorst Water, dat vliet; water, dat vanzelf welt, en water, dat ge putten moet. Water, dat welt, leeft. Het is niet in ruste, maar borrelt aldoor op. En dit wellend, levend water vooral koos de Schrift u ten beeld voor den stroom, die geestelijk door de wereld der menschen:
kinderen
trekt.
Komt
ge nu in een bergstreek, gelijk Jezus bewoond heeft, dan spreekt dit beeld u o zoo wonderbaar toe. In zulk een streek heeft niemand water in huis. In huis geen put of pomp of waterleiding. In het gansche huis geen drup waters, dan voorzoover het in kannen of vaten is aangedragen. Maar middenin het dorp is de bron, staat de fontein, springt de springader. En naar die bron komt een ieder met zijn vuil geworden kleeding, en wascht ze; en komt een ieder met zijn leege of ook, wie dorst heeft, legt zijn kruik of kan, en vult die; lippen aan de opening, waar het water uitborrelt, en drinkt. Schoon en heerlijk beeld van den Zoon des menschen die in het midden zijner gemeente staat. En tot Hem komt elke getrokkene om rein te worden; en tot Hem, om zijn dorst te lesschen, en tot Hem, om water te verzamelen, dat hij uitdrage naar zijn huis. Maar lang niet elk dorp op de bergen is zoo gelukkig, om althans éen zoo sterk wellende fontein van levend water te bezitten; en in de Schrift leest ge telkens, en zoo ook bij Sichar, van een welput, waar het water niet uit opborrelde, maar uit qepiit moest worden; en wee hem, dien dorstte en die bij deze bron zat, maar niet had om mede te putten Geestelijk genomen is dan de stroom des levens wel nabij u, en wel is in u de dorst, en de kennis van het oog, dat uit die bron u de lessching moet komen; maar de macht des geloofs ontbreekt, en met het oog op het water daar in de diepte, vergaat ge van dorst. ,
,
—
,
,
Maar
hetzij
die
Springader reeds vanzelf voor u opborrelt en
met zijn wateren, hetzij ge nog puttende zijt, om met moeite u den beker te vullen toch is die Fontein van wateren buiten uw eigen tuoning nog het hoogste niet wat God u beschikt
u
als overvloeit
,
,
heeft.
in zulk een dorp, waar geen druppel waters in eigen en het al eiken morgen eiken middag en eiken avond weer in kruik en kan moet aangedragen een vreemdeling van buiten komend, eens met toovermacht een eigen fontein in ieders huis kon doen ontspringen, hoe zou al het vermoeide volk in luiden jubel uitbarsten en hem zegenen, dien brenger van hun
o, huis
Als
is
,
,
,
ffeluk.
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's