Political speeches by Abraham Kuyper and others - pagina 95
[1]. Om de bewaring van het pand : rede ter opening van de Deputatenvergadering gehouden te Utrecht op 23 April 1925 / door H. Colijn -- [2]. Toevende dageraad : rede ter opening van de Deputaten-vergadering gehouden te Utrecht op 13 April 1920 / door H. Colijn -- [3]. Wat nu? : rede ter opening van de Deputaten-vergadering, gehouden te Utrecht op 2 mei 1918 / door A. Kuyper -- [4]. "De Kleyne luyden" : openingsrede ter Deputaten-vergadering van 23 November 1917 / door A. Kuyper -- [5]. De wortel in de dorre aarde : opeiningsrede ter Deputaten-vergadering van 2 November 1916 / door A. Kuyper -- [6]. De meiboom in de kap : openingswoord ter Deputaten-vergadering van 24 April 1913 / door A. Kuyper -- [7]. Christelijke en neutrale Staatkunde : rede ter inleiding van de Deputatenvergadering, gehouden te Utrecht, op 13 April 1905 / door H. Bavinck -- [8]. Volharden bij het ideaal : openingswoord ter Deputatenvergadering, van 17 April 1901 / door A. Kuyper -- [9]. Eer is teer : tegen Mr. W.H. De Beauforts gidsartikel "De Deputatenvergadering" / door A. Kuyper
15 al te velen, die God en Zijn eere verdien hoofde met het volk van God niets hoegenaamd uitstaande hebben. Neen, „de kleyne luyden" waren, althans in de toenmalige dagen, zij die buiten de rij der Machtigen, Edelen en Wijzen stonden. Geheel die breede klasse was er meê bedoeld, die geen ander karakter dan van den gewonen burger bezat. Die, ja, rondkomen konden met wat hun jaarlijks ten deel viel, doch alleen door zuinig sparen iets konden overleggen, en die althans niet meetelden, als er sprake was van de geldelijk machtige en door fortuin schitterende leden der maatschappij. Dus óók de armen, óók de bedeelden, óók de volstrekt behoeftige weduwen. Alleen maar volstrekt niet dezen alleen, doch slechts als onderdeel van die geheeie, zoo breede klasse, die gew^oonweg leefde, zonder hoogere stelling in het leven in te nemen. Brave, goede burgers, maar vreemd aan alle geleerdheid iets wat destijds te gereeder uitkwam, overmits al wat hooger ging, de Latijnsche taai vroeg. Niet alzoo de Edelen, die van hooge herkomst waren, en zich op heel een reeks van privilegiën beroepen konden. Niet de in officie gestelden, die door
zijn,
helaas,
zaken en
maar
uit
;
hun ambt zich onderscheidden. Niet de in Raad geroepenen, op wier advies de Regenten vaak af moesten gaan. Het was veeleer die breede groep in de maatschappij, die van alle hoogere vlucht in het saamleven had af te zien. Doortastende, ijverige burgers, die steeds doende en bezig waren, om van den dag op den morgen te leven. Ze waren aan zedelijken ernst gehecht, in de samenleving op stille deugd prijsstellend. en alzoo mannen en vrouwen, die juist uit dien hoofde de religie in eere hielden, in trouwe hun Overheid dienden, zich aan hun vaderland toewijdden, en in Christus* Kerk heul zochten voor wat ook hen in de saêmleving verdroot en
lijden deed.
kwam alzoo bij dezen stand onder het volk uit. Eenerzijds was hun de weg nog niet geopend voor het staan naar hooge betrekkingen. Het pad der geleerdheid betraden ze nog niet. Het zich verliezen in vreemde talen Tweeërlei
was hun nog vreemd. En
droeg hun opvoeding een de visschers op Marken vaak zoo heerlijk uitkomt, opgetild uit hun omgeving waren ze toen nog niet. Ze werden geboren, ze leefden en ze degelijk
stempel,
gelijk
dit
al
nog
bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 283 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 283 Pagina's