Gomer voor den Sabbath - pagina 162
„HET GELD VERANTWOORDT
158
ALLES."
Reeds bij Israël waren er zoo velen, die op elk Pascha weer naar Jeruzalem trokken maar om als Pascha achter den rug was in stilte weer naar de hoogten en naar de bosschen te sluipen, <en daar de knie voor het Baai-beeldje te buigen. En zoo is het, helaas, nog. Nóg lichter gaat een kemel door het oog van een naald, dan een rijke in het Koninkrijk der hemelen. En ongelooflijk en onbegrijpelijk is het, wat tal van lieve Christenen nog altoos slaven en slavinnen van hun geld zijn. Altoos meer schrapen. Niets wagen, als het geld in gevaar kan komen. En als er geld meê te verdienen is, een deur meer open ,
in
,
hun conscientie. Een toenemen der zonde,
die niet kon uitblijven. Want het is Je zonde onzer eeuw, en de Christenen die in deze eeuw leven en niet toezien op de uitgangen van hun hart, moeten dus wel in veel verzoeking vallen. Maar een zonde, die deswege niet ,
jninder doodsgevaar lijk blijft. Een doodsgevaarlij ke zonde, let nu wel op, volstrekt niet enkel voor de groote kapitalisten, maar sterker haast nog voor den jongeling of de jongedochter, die niets heeft; en die alle rangen en standen der maatschappij derwijs heeft aangetast, dat dorst naar geld de allesoverheerschende trek is geworden. Het geld boeit het oog; ^^/r/ prikkelt de zinnen; geld vervult de gedachten ; er wordt op geld gepeinsd en gezonnen en de gedachte aan geld neemt zoozeer aller hart in, dat geld te winnen voor velen het rijkst ideaal, geld te verliezen een nagel aan hun doodkist wordt. Van de loterijen, de speelbanken, de roekelooze speculatiën zwijgen we nu nog. Wie zich daaraan bezondigt, is nog een schrede verder op den boozen weg. Dit zijn menschen, die in koortsachtigen gelddorst ;
ijlen slaan, tot God ze op hun weg ontmoet, hun plotseling de hand slaat al wat ze saamschraapten ze zoo ontnuchtert, en weer op de knieën voor Hem brengt.
aan het uit
,
Wel mogen Gods kinderen daarom
om
toezien
dat ze worstelen
,
zich aan deze zonde te onttrekken.
En
dat op allerlei manier.
Een kind van God moet tegen deze overstellen
in
milde barmhartigheid voor
g€idiZonde 's
de géiddeugd
Heeren huis en voor
wie in nood is. Niet, dit versta men wel, door zijn geldafgod nog met het kroontje van weldadigheid te sieren, zooals velen doen eenige guldens die / 30,000 's jaars opleggen en dan aan de armen toewerpen. Neen maar door welbewust en opzettelijk
al
,
,
,
.
,
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's