Gomer voor den Sabbath - pagina 130
„HOEVELE ZONDEN HEB IK?"
120
wegschuiven en uw eigen jongen met die kleine tijgertjes stoeien Ze zouden uw jongen geen kwaad doen. Ze spelen en stoeien nog maar en zijn zoo aantrekkelijk lief. En toch ge weet het. Als ge diezelfde lieve diertjes maar stil gaan en groeien laat, komt uit diezelfde lieve beestjes toch straks de felle, wreede, bloeddorstige tijgeraard tevoorschijn. En zoo ge laten.
,
uw kind. duidelijke beeld u niets omtrent de zondige gestalten in uw eigen hart te zeggen? o, Neen, ook in u zijn die zonden nog niet uitgegroeid. De muil is nog niet opgesperd. De klauw nog niet uitgeslagen. Het vuur van den bloeddorst vlamt nog niet in het oog. Gij speelt nog met uw lieve zondetjes in uzelven en in uw kind. Er zit geen kwaad bij denkt ge en het vermaakt u meer, dan dat het u angst aanjaagt en u beklemt. En toch, wat zijn al die zondetjes in u dan kleine tijgertjes van binnen, waar de schriklijk booze aard inzit? En wat drijft ge -anders dan roekeloos spel, met die booze wezentjes in u te koesteren en te streelen? Men vergeleek de zonde in u wel eens bij kiempjes zaadjes van een boos distelkruid, dat, straks opgeschoten, u de huid zou openrijten. Maar dat is te zwak gezegd. Neen, er is erger, er is verscheurend wild in uw hart. Die nog onuitgeroeide zonden in u zijn als tijgertjes, die eerst, o, zoo lief, toch als heur aard en wezen uitkomt, zich zoo schriklijk openbaren zullen. Dan moordt het in uw hart! niet toeziet, verscheuren ze u en
Heeft
nu
dit
,
,
,
,
En nu
ge het onderscheid gevoelen hart, zoo goed als in dat van ieder zondaar, zitten van binnen al die booze machten in. En voor wat aan u ligt, doet ge alles, om die booze wildheden van klein groot te laten worden. Gij lacht er tegen. Gij stoeit er meê. Gij voedt ze met sterk voedsel. Het is, of ge haast naar het oogenblik hunkert, waarop de booze In
zult
uw
aard mocht uitslaan. Maar uw God is ontfermende! Hij is wijzer dan uw dwaasheid, en Hij komt met genade tusschenbeide en sluit in uw hart die booze machten achter traliën op. En nu speelt de klauw wel tusschen de traliën door, maar tot
moorden kwam het in uw hart niet. En gij? Dankt ge daarvoor? Integendeel,
gij vijlt aan die traliën. zoudt die tijgertjes uit willen laten! Gij zoudt dat uitkomen van dien boozen trek willen zien. Maar nogmaals, uw God is ontfermende! En Hij slaat uw hand
Gij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's