Gomer voor den Sabbath - pagina 175
„ALS KAF VAN DEN DORSCHVLOER
l-JJ
!
Toen de Heere bij Hosea van dat „kaf op den dorschvloer" sprak, gold zijn zieldoordringend woord dan ook niet den Kanaaniet, noch den Tyriêr, maar Israël. Lieden die het bondszegel droegen gesproten uit Abraham, en die bij Dans en Bethels altaren nog zeer vromelijk voor den Heere Jehovah op de knieën vielen, ook ,
al
symboliseerden ze
Denk dus wij. Van de
Hem
in een miniatuur-rund van goud.
slaat op de wereld en het koren zijn wilde massa, die zichzelve op goddelooze paden verliest, is hier geen sprake. Lieden, die brutaal-goddeloos zijn, kunnen geen kaf heeten ; want het kaf zit met het koren dooreengevlochten, en de ruwe, wilde wereld woont op mijlen afstands
niet:
kaf
het
van de tente, waar de aanbidders van Jehovah saamkomen. Kaf en koren doelt altoos op menschen wier leven dooreengestrengeld is aan wie men het zoo niet aan kan zien dat de eene koren is en de andere kaf. En het sterkst doelt dus dat vreeslijke zeggen van het „kaf op den dorschvloer" op de hypocrietisch- vromen, die onder de echte vromen vermengd en ver,
;
,
strengeld zijn.
Die mannen uit Israël, op wie Hosea in Jehovahs naam dat brandmerk van „kaf op den dorschvloer" zette, waren dan ook nog aanbidders van Jehovah, alleen, ze dienden er de7i Baal bij. Wel den Heere dienen, .... maar een aantrekkelijken afgod
—
er bij.
Gedeelde harten ; gesplitste zielen tweeslachtige en daarom huichelachtige naturen. Neen, niet Jehovah geheel verlaten. Jehovah óok. Maar natuurlijk, dan moest Baal er bij geduld worden. En Baal nu, dat is de dienst van den lust, van het vleesch, van het geld van al wat ijdel is en bekoort in de wereld. En die zoo knielt voor Jehovah en toch zoo Baal nahunkert^ die is kaf. Vlak bij het koren. Er meê dooreengevlochten. Tot het op den dorschvloer komt. En dan komt er de onnutheid van aan het licht. Dan araat het ten vure! ;
,
Kaf en koren Het legt de vraag van uw eeuwig in Christus verkoren zijn zoo snijdend aan uw hart. Van der Groe gaf eens zijn Toetssteen uit der valsche en ware genade, om de onzekerheid weg te nemen. Hij zag tweeërlei gevaar. Tobbende zielen die altoos vreesden kaf te zijn en die den troost der verlossing dierven daar ze toch koren waren. Maar ook anderen, die er vast op gingen koren te zijn, en toch zoo vreezen deden, dat ze kaf op den dorschvloer zouden blijken. o Het gezelschap der gezaligden in den hemel zal zoo veelszins anders zijn saamgesteld dan wij het ons hadden ingebeeld. Er zal er zoo menigeen bij zijn, van wie wij het nooit gedroomd hadden. !
,
,
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's