Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Gomer voor den Sabbath - pagina 189

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gomer voor den Sabbath - pagina 189

3 minuten leestijd

„MET MIJNE Wordt Habakuk

ZIEL

HEB

IK

U BEGEERD.'"

185

dat begeeren nu waanzin, dan heet htt gieren, zooals „Wee dien die met kwade gierigheid giert voor roept zijn huis" (2:6). Zoo spreken we nog van „gieren van het lachen ", als we onszelven niet meer meester zijn. Zoo is „gieriglijk" handelen een handelen uit onzinnigen hartstocht En „gierigheid" is niet maar „tuk op geld zijn en bang om geld uit te geven", neen, een gierigaard is een jammerlijk mensch, die geen meester meer over zijn begeeren is; en „gierigheid" daarom de wortel van alle kwaad, omdat gierigheid zeggen wil: al het diepe begeeren van zijn hart naar het goud der wereld laten uitgaan insteê van naar de heilschatten Gods. :

,

nu wél met uw

ziel, dan zal u een zeer sterk begeeren Prikkelen bij dag en bij nacht. En u nimmer rusten laten. Maar dat begeeren zal uitgaan naar den Heere Heere; naar zijn Naam en gedachtenis; naar zijn diamanten en peerlen; naar het sieraad en het schoon van zijn geducht paleis. Toen Adam met zijn ledig, diep hart in het Paradijs zich voor het eerst bewust wierd dronk dat diepe hart met éen diepe volle teug op eenmaal den adem des levens uit God in. En Satans gruwel was juist, dat hij Adams hart straks zuigen liet naar de wereld. „Heere! mijn hart blijft onrustig," riep Augustinus uit, „tot het " rusten kan in U Schoon, kostelijk en toch niet diep genoeg gezegd. Neen, ons hart moet niet in God rusten, maar het moet uit God zijn inhoud hebben; met den Naam des Heeren vervuld worden; het moet rusten, doordien het God in zich ontving; en dan zelfs nog niet rusten maar altoos opnieuw begeeren ; om met frissche teug nogmaals en altoos weer in te drinken de schatten van zijn God. Daarvan zegt Jesaja: „Mijn ziel heeft begeerd in den nacht, en in den morgenstond zal ik LJ vroeg zoeken." Daarvan zegt de Psalmist: „Heere! voor is al mijn begeerte T^ Daarvan getuigt de Spreukendichter ,,De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede." En daarvan durft de zanger in Psalm 27 4 betuigen „ Eén ding heb ik van den Heere begeerd dat zal ik zoeken dat ik alle dagen wonen mocht in de tente des Heeren Ge ziet dus wel. Niet werkeloos, niet in zichzelf tevreden, neen, altoos dorstend altoos hongerend, altoos vragend, roepend en begeerend moet uw hart wezen. Alleen maar, al zijn begeeren moet •WQZQn éefi begeeren naar God. Is het prikkelen.

,

,

!

,

U

U

:

:

,

,

!

„Gij zult niet begeeren!" keert zich dus tegen den mensch, die valsch begeert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889

Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's

Gomer voor den Sabbath - pagina 189

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889

Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's