Gomer voor den Sabbath - pagina 186
l82
„UWE GLASVENSTEREN
KRISTALLIJNEN!"
als we naar het uitspansel opzien, is er geen star, die ons vriendelijk tegenflonkert , maar grauwt alles mat en dof. o, Het leven van een ontdekte ziel zou haar tot stikkens toe benauwen. Zoo hopeloos somber en droef als de wereld zich aan haar oog ontdekt. Dat deed haar vóór ze ontdekt wierd geen pijn. Want och , toen staroogde ze gedachteloos en merkte niet op; toen bleef ze hangen aan de oppervlakte, gelijk een kind doet; toen vergaapte ze zich aan het Bengaalsche vuur, waarmede de wereld aan haar ellendig ledig een schijn bijzet. Maar nu er licht van boven in haar zielsoog viel , en ze de wereld ziet, zooals ze is; ziet door de nevelen heen; ziet tot op den bodem en tot in den verkankerden wortel; nu, ja, komt én die wereld én haar eigen verleden haar eigen wezen en het wezen van wat ze het liefst op aarde had, kortom alles, zoo naakt, zoo ontbloot, zoo onooglijk uit, dat ze het gelaat liefst afwendt en maar liever niet ziet, om door het zien niet bij vernieuwing te zelfs
,
,
lijden.
En dan komt de ondoorgrondelijke Barmhartigheid en zet in dien somberen muur voor u kris tallijne7i vensteren. En als ge daar doorheen gluurt, o, dan wordt het opeens alles zoo geheel anders getint. Dan ziet ge uw pijnlijk verleden gedekt met witte wol. Dan ziet ge den strijd en de woeling des levens gedoopt in den glans eener eeuwige heerlijkheid. En zelfs op het droefste levenspad ziet ge dan den felst gejaagden pelgrim nog wandelen in het licht van Gods vriendelijk aanschijn.
En ziet ge dan op naar boven, o, door die kristallijnen vensteren gezien, is die hemel dan niet meer droevig rood, noch grauw van nevelen, maar tintelend met vonken van eeuwige heerlijkheid, en u tegenstralend met bekoorlijken gloed. Het is wel zoo, dat Gods kind niet altoos die heilige genieting smaakt. Och, zoo dikwijls vergeet hij dat kristallijnen venster geheel, en trekt zich terug in een hoek, of verbergt zich achter de gordijnen van zijn legerstede, of blijft nederhurken in de laagte; en natuurlijk, dan ziet hij niets van dat schoon, en gunt dat kristallijnen venster hem zijn glansen niet. Het inzinken is ons vaak lief Verre beneden onzen staat te leven schijnt soms ons klein geloof te bekoren. En dan zijn we weer pessimisten. En dan wenkt ons de hope niet meer. En bestoven door onze eigen weerstrevigheden mompelen en morren we dan tegen ons lot, en soms zelfs tegen onzen God. Een nog levende boom kan soms zoo schrikkelijk verdord en ,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's