Gomer voor den Sabbath - pagina 36
GEDENK VAN HOEDANIGE EEUW
32
IK
BEN
burgerlijk brave menschen. Bij dronkaards, bij roekelooze lieden, als ze tot staan komen, gaat dat vanzelf. Maar als men levenslang vroom en onberispelijk voor der menschen oog heeft gewandeld, en door de menschen lief is gevonden, o, dan is dat bijna onmogelijk. Niet om het te zeggen, maar om het te meenen, en wezenlijk als een verworpeling voor zijn God te liggen.
Daarom heeft de Heere met zijn Jakobs en zijn Jobs en zijn Davids dan ook zooveel banger en ontzettender te worstelen. Bij hen kon het niet bij zulk een worstelen in de conscientie blijven want bij zulke karakters misleidt de vrome natuur. En dan wordt het een hartaangrijpend worstelen in uw bestaan, in uw levenslot in wat u lief is en tot in uw bloed. En dan krijgt Satan, als bij Job, den vrijbrief, om niets te sparen, tot ,
,
,
eigen vleesch niet. o, Dan stormt het zoo schriklijk om het hoofd en door het hart, en giert de huilende wervelwind in de snaren van ons fijnste zelfs het
innerlijk wezen.
Dan Dan
is
alles
we
benauwing en banden des doods
om
ons.
voor de koperen deuren gedrongen. o, God! wat krimpt uw arm menschenkind dan onder hand weg! zijn
tot
uw
sterke
Maar dan, onder dat bloeden en wegkrimpen van het hart, komt er in Gods kind iets op, dat, o, zoo eenvoudig schijnt, en toch zoo nameloos moeilijk te leeren valt; want dan overvalt ons bang besef, dat die tegen ons worstelt niet onzes gelijke is. De Heere niei onzes gelijke, het is zoo, we beleden dat ook vroeger wel, maar toch bleef het bij al ons tegenworstelen alsoi onze persoon en de Heere God wel aan elkaar gewaagd waren. Alsof we eigenlijk toch wel tegen God opkonden. Alsof een merisch, als hij maar wilde, wel tegen God bestand was. Ja, alsof hij het van God den Heere ten slotte nog wel winnen kon. Altoos die diep satanische trek van onze zonde: Gij zult als God, d. i. aan God gelijk wezen. Het demonische: Eritis secutis Deus i). De gruwelijke hoovaardij van ons boosaardig hart. En dat nu gaat er dan in die worsteling door genade uit en ten leste belijden we dan onze schrikkelijke minderheid, en komt onze ziele er voor uit: „o. God! Gij zijt een almachtig God! Waarom worstelt Gij ten bloede met mij nietigen niensch ? " Zoo riep Job het in zijn berooving en zijn rouwe en zijn smarte het
,
,
l) Gij zult als
God
wezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's