Gomer voor den Sabbath - pagina 199
„HIJ ZAL JERUZALEM NOG VERKIEZEN."
I9S
Taal, soms onverstaanbaar door allerlei nieuwmodische termen. Alleen maar, de Schriftuurlijke taal wierd buiten de gemeene sprake gesloten. Of waar de Schrift nog meê mocht spreken, daar
moest het dan althans
Oude Verbond
En
zoo
Nieuwe Verbond
uit het
zijn,
maar
uit het
stellig niet.
wierd dan ook het spreken over „een volk
den ban gedaan. Daar sprak Farizeïsme
Gods"
in
daar sprak aanmatiging daar sprak harde veroordeeling van anderen in. Wat hoefde dat ook? Het moesten altegader „vormen van onzen tijd" worden, en onze tijd wist van een „volk" in ons „volk" niets.
Thans
,
,
betert dit weer eenigszins.
Uit de heggen weer naar de straten, uit de achterhoeken weer komt het spreken van het naar het voorportaal overgebracht „ volk des Heeren " thans weer in zwang. Men voelt en tast weer, dat, zoo Immanuel onze Konitig zijn zal, er voor Immanuel dan ook een eigen volk zijn moet, en dat het toch niet aangaat, dezen Koning, die zich een eigen volk tot den prijs van zijn bloed heeft gekocht, om menschen te believen, van zijn volk te berooven. Jezus onze Koning, en wij zijn volk; men doorziet weer, dat dit niet is te scheiden. En dat men ook wel van kerk en ook wel van „geloovigen" spreken mag en moet, maar dat deze beiden ons geenszins van de verplichting kunnen ontheffen om ook te spreken van 'j Heeren volk. ,
,
Doch nu prikkelt dit dan ook tot bitterheid. Nu keert zich hier de woede tegen van wie dien naam bannen wilden. Nu heet het, dat wie dien naam gebruiken zich inbeelden zelven al het volk te zijn; dat ze de broederen afsnijden; en dat ze dies een scheur trekken door het lichaam van Christus. Ge hoort het wel, hoe de Ethischen vooral de laatste tijden ons dit voorwerpen. Dit nu maant tot scherp zelfonderzoek. Het werpt de vraag aan uw conscientie toe, of er ook iets van aan is, dat ge bij dit roepen over „'s Heeren volk" meer aan eigen verheffing boven anderen dan aan de eere van den j^<?«2>z^^- naam van Immanuel hebt gedacht. Zelfs doet het vermoeden dat er wel onvoorzichtiglijk en ongeestelijk aanleiding zal gegeven zijn, om ons van min kiesch en min teeder gebruik van dien naam te verdenken, zoo niet te ,
,
,
beschuldigen.
Evenwel
,
dit niets af
hoe groot ook die verkeerdheid ware
noch
toe.
,
aan de zaak doet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's