Gomer voor den Sabbath - pagina 213
„DE ONVERWELKELIJKE KROON."
209
Maar al zonk het leven der natuur, sinds om de zonde ook over haar het floers van den vloek wierd gespreid, toch geeft ook zoo die schepping ons nog een kostelijke sprake, die ons een spiegel van het hemelsche
is.
Zie het plantenrijk. Hoe laag vangt het niet aan. Een mos, een gras, een varen. Als de wind er over gaat, verdord; als de zon ze treft, verzengd. Maar ginds tiert reeds meerder. De heistruik geeft haar tinten. Er een kiem en een stengel en twijg. Straks groent aan die twijg is het loover. Slank en statig verheft de palmboom zich. En eindelijk vindt heel het plantenrijk zijn heerlijkheid in bloesem en bloem Van die tengere grasspriet tot de prachtige geurende bloem aldus klimt in die plantenwereld de ladder des levens. Die bloem is het rijkst, is het volst, is het heerlijkst. In die bloem is de gedachte der plantenschepping voleind. En gelijk nu het plantenleven is zoo ook is ons menschelijk leven. Ook in ons leven schuilt het mos achter den steen, en schiet het ijle gras van ons aanzijn op. Maar die dorheid laat ons geen rust, in die ijlheid kan ons hart geen vrede vinden. Neen, ook in ons roept het alles om^ dorst het alles naar de bloem die aan ons leven uit moet komen. En als er dan soms in ons menschelijk leven personen zijn die óf soms óf een enkel maal, ook die volheid van leven en bloei schijnen bereikt te hebben dan drukken we hun als zinbeeld een bloem op het hoofd, en die bloem om ons hoofd noemen we een krans of een kroon. ,
,
—
,
,
,
,
Zoo worden er allerlei kransen of kronen gedragen. Een diadeem of kroon draagt een vorst op aarde, naardien
in
hem
het leven van heel het volk zijn volste, rijkste uiting vindt. Een krans lei men om de slapen der overwinnaars in den wedstrijd omdat in hen de spierkracht of de dichtkracht of het kunstvermogen het schitterendst uitblonk. Ook omkranst men een bruid, omdat de volheid van het maagdelijk leven het schoonst en het kostelijkst tiert in de ure dat ze huwen zal. Dat zinbeeldig spraakgebruik wettigt ook Gods Woord. „ Een kloeke huisvrouw is den man een kroon" (Spr. 12 4). „ Der wijzen /èrw« ,
:
is
hun rijkdom" (14
:
24).
„De
grijsheid
is
een
sierlijke
kroon"
(16 31). „De kroon der ouders zijn de kindskinderen" (17 6). „ De kroon onzes hoofds ", klaagt Sion „ is afgevallen " (Klaagl. 5:16), Ja, meer nog, 's Heeren heilig Woord neemt deze kroonsymboliek over en teekent er u de voleinding der heerlijkheid in. Aanschouw den Nazireër maar, met het als kroon ongeschoren hoofdhaar, gelijk hij voor Gods aangezicht wandelt. :
:
,
14
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's