Gomer voor den Sabbath - pagina 192
„VLAS EN VONK."
l88
een jongen man, eea jonge vrouw, van wie men hoort, „dat ze zijn"; „dat het met hen uit is"; dat ze zedelijk vernietigd
weg
zijn; dat ze als zedelijke karakters niet
meer meetellen.
Zulke personen waren eens aanminnige kinderen, die dartel speelden op moeders schoot. Glans blonk in hun oog. In hun hart waakte edeler besef op. Ze hebben de ure gekend dat ze bloosden over hun eerste kleine leugen. Hun conscientie was nog teeder. Maar nu zijn ze op; ze zijn weg; ze zijn een uitgebranden haard gelijk. Schimmen, geen menschen meer. Ze zijn er nog; maar het is, alsof ze er niet meer waren. Ze zijn zedelijk, ze zijn als personen, ze zijn in hun karakter ,
vernietigd.
Vernietigd tot onherkenbaar wordens toe. En hoe kwam dit nu anders, dan door hun aanraking met de wereld en in die wereld met de booze, duivelsche, vernielende macht der zonde, waarmee de Satan, die een menschenmoorder van den beginne is, er reeds zoo duizenden gedood heeft voor de hel? o. Ze is ontzettend, die macht des verderfs, die vernietigende, zielmoordende macht, die rondwaart. Als een vlinder vliegt ze uit. Even komen de vleugelen uwer ziel er meê in aanraking. Ge zengt ze. Reeds kunt ge u niet meer op de wieken des levens verheffen. Met verzengde vleugelen valt ge neder. En straks wordt ge geheel verbrand, en vindt men niets dan uw verkoolde mummie.
Het vuur is iets ijslijks. Eens uilgebroken, woedt het voort en voort,
al wat het ontvuur omzettend. En voor zoo ontzettenden brand is éen vonk genoegzaam. Dan steekt die vonk aan, en lang smeult het, en eindelijk slaat het uit, en de vernieling is niet meer te stuiten. En ijslijker nog is het met dit vuur der zonde. Een vonk van dit zondevuur der wereld spat op u over, en zoo ge die vonk niet aanstonds wegblaast, wordt die éene vonk in een oogwenk tot drie en meer vonken. En het smeult in uw ziel ongemerkt voort. En niet lang meer, of de vlam slaat laaie uit, en gij
moet
in
arme mensch,
zijt
verloren.
ook de Heilige Schrift van die vonk. Van die verbinding met vlas, omdat vlas in een oogenblik vlam vat. „De sterke," zegt de Heere bij Jesaja, „zal zijn tot vlas, en zijn werkmeester tot ee7i vonk, en saam zullen ze branden, en er
Daarom
vonk
zal
spreekt
in
niemand
zijn, die het bluscht."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's