Gomer voor den Sabbath - pagina 87
„GRIJP
NAAR HET EEUWIGE LEVEN
"
83
!
de hand, waarmee genade voor genade moet aangenomen. Hij kan, hij moet grijpen. En nu tot hém gaat daarom het apostolisch roepen uit: „Grijp, o, mensch Gods! grijp naar het eeuwige leve?i/"
De Het
heilige apostel wil leven in Gods kinderen zien. is schriklijk om te aanschouwen, zooals allerwegen
de kinderen Gods de handen
slap
hangen en de knieën
ook
bij
traaglijk
ineenknikken. Dat de verachters van Gods gebod niet talen naar de heerlijkheden van de genieting zijner gemeenschap, dat verstaat hij ; maar dat Gods kinderen soms zoo lusteloos, zoo levenloos, zoo doodsch, zoo zonder besef of aandoening voor het eeuwige leven er bij kunnen staan, dat baart den heiligen apostel kommer en bezorgdheid. En nu hij zelfs een man als Timotheus op zulke slapheden betrapt, nu grijpt Timotheus aan, dien treffelijken, dien godvruchtigen maar, hij helaas, geestelijk te zeer ingezonken man, en prikkelt hem met zijn woord, en jaagt hem op uit zijn valsche ruste, en roept hem Neen Timotheus niet in dat suffend insluimeren uwer ziel toe is de verheerlijking van Gods heiligen naam; veeleer moet er gejaagd, moet er gestreden, moet er gegrepeti worden. Niet loom en traag moet ge achter de gerechtigheid na komen kruipen; neen, ge moet jagen naar gerechtigheid naar godzaligheid naar geloof, naar liefde, naar lijdzaamheid en naar zachtmoedigheid. Niet een en rustig geweten moet u uw geloof zijn, maar éen altoosstil durende strijd. „Strijd den goeden strijd des geloofs." En zoo ook het eeuwige leven, dat moet ge niet maar inwachten als iets, dat, na uw sterven, vanzelf u wel om Christus' wil zal toekomen maar ge moet er de hand des geloofs naar uitstrekken; ge moet ernaar grijpen; grijpen alsof elke dag u te veel en te lang ware, die u nog van dat eeuwige, dat heerlijke, dat volzalige leven scheidt. ,
,
:
!
,
,
,
,
Zie het aan Gods bloemen af, wat dit grijpen naar het eeuwige leven is. Ook de aard en de natuur der bloemen is van God uitgedacht en van Hem geschapen, en voor ons, naar het Woord er ons in voorgaat vol van leering. En wat ziet ge nu? Maar immers, dat die bloem buiten het licht niets is en zelfs geen tint of kleur heeft. En dat die bloem niets is buiten de koestering der zon want in de koude verschrompelt haar blad ; en geen geur ademt ze u tegen. Hulpeloozer, armer, naakter dan die schijnbaar zoo rijke, geurige bloem is er niet. Neem de lucht en ,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's