Gomer voor den Sabbath - pagina 37
GEDENK VAN HOEDANIGE EEUW
IK
BEN
33
!
„o, God! wat is de mensch, dat Gij met hem worstelt en op hem aanlegt?" en zoo klaagde David: „Heere! gedenk mijner van hoedanige eeuw ik ben/" En de Heere, die barmhartig en zeer ontfermende is, liet het, opdat we in deze verbrijzeling niet bezwijken zouden, ons door zijn Heiligen Geest betuigen, dat „Hij weet, wat maaksel we zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn" (Ps, 103 14). Hij had het vanouds reeds betuigd: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vlêesch is." Van Israël staat geschreven: „Hij dacht er aan, dat zij vleesch waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert (Ps. 78 39), En bij Jesaja schonk Hij zijn kinderen het woord van zalige vertroosting „ Ik zal niet eeuwiglij k twisten, en Ik zal niet altoosdurend verbolgen zijn, want uw geest zou voor mijn aangezicht overstelpt worden^ en de zielen, die Ik gemaakt heb!" (57 16.) uit:
:
:
:
:
En dan heeft God de Heere ons op het punt, waar Hij ons hebben wil, want dan is in den angst van de worsteling de gevloekte hoovaardij van het „Gode gelijk te wezen" overwonnen. Dan willen we de minste voor God zijn. Dan houdt op de verheffing van den hoogen mensch, en krijgen we lust aan kleinheid en geringheid en nietigheid.
Zoolang de booze heldenmoed van den duivel nog in ons blies, was het: „Wees sterk en houd het tegen Hem uit!"; maar nu is het: hoe kleiner hoe liever. „Zie, Heere! dat ik stof en assche ben " Of misschien onze nietigheid en geringheid den Almachtige tot aflaten van zijn worsteling mocht bewegen! Eerst was het: Ja, hoe sterker, hoe beter, om tegen God op te kunnen. Door zijn worstelen tot /(?^<?«worstelen geprikkeld. Maar nu wierd het een pleiten op de grootmoedigheid en op het erbarmen des Almachtigen: „Heere! waarom worstelt Gij met zulk een nieteling? Zie mijn kleinheid aan en heb ontferming! „ Een held worstelt niet met een hulpeloos kind Gij sterke Held laat af te worstelen met wat stof en assche is. „Gedenk van hoedanige eeuw ik ben! Gij, eeuwige Worstelaar! wat ben ik, verdwijnend en verkwijnend wezen, om met U te !
worstelen
,
1
?
„Ik kan slaan door
meer. Als Gij sterke hand. het is uwe eere als
niet
slaat,
zal
ik
mij weerloos laten
te
erbarmen.
uw
„o, God! „ Ik ben een worm voor
U
God om U man
en geen
!
En neen dan is er geen morren in dien toon. Dan is het geen vermetel verwijt, alsof de Heere zich vergreep aan een ellendige ,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's