Gomer voor den Sabbath - pagina 41
„EEN STOFJE AAN DE WEEGSCHAAL."
37
als een dwaas, al naar gelang ge bij al uw denken en overleggen in uzelven opzwelt tot een Dagon, of weer, ook in uw eigen
schatting, een stofje aan de weegschaal voor uw God zijt. Staat ge nog in uw leugetibeeld dan hebt ge allerlei pretentiën, dan zijt ge prikkelbaar en lichtgeraakt veeleischend en alles begeerend, ontevreden en gestadig in gemor. Maar komt de waarheid en weet ge weer een drop aan den emmer en een stofje aan de weegschaal te zijn, dan is opeens die ,
,
overgevoeligheid weg; de rietstaf uwer hoogheid geknakt; stille, nederige zin komt over u en ook bij een minder deel wordt uw vreugdevolle tevredenheid rijk in die goedertierenheid des Heeren, die u nog zooveel schonk. Wat minder met uzelf en wat meer met uw God in uw zin en ziel vervuld, zijt ge dan als de bloem, die zich laat bedauwen, en niet langer als de doornstruik, die prikt en afstoot. Liefderijk helpen, dienen en vertroosten valt u dan licht, omdat het valsche beeld van uw eigen ik u niet langer in den weg staat. Inschikken wordt u dan natuurlijk, vergeven een vanzelf heid, zelfverloochening geen kunst meer, maar de aard van uw aanzijn en de eigen natuur van uw bestaan. Wie weet zelf een siofje te zijn, kan vreeze Gods in de ziel omdragen. Alles trekt dan naar boven. Alles in hem smelt dan weg in bewondering voor Hem, die alleen groot is. En terwijl hij God vreest, kent hij geen vrees voor het kind des menschen meer. Immers ook zij zijn dan stofjes en druppelen als hij is. En een stofje, wie zou dat vreezen!
En dan komt juist in dat nietige van het stofje het zoet der zaligheid. Hoog zijn vermoeit en mat af, maar wie stil en nederig kan rust met ongekende zaligheid in dat innerlijke van zijn Hij heeft niets op te houden Geen valschen schijn te maken. Hij wandelt in zijn eenvoudigheid. En als dan in dat nietig „stofje aan de weegschaal" genade gaat werken, en in dien druppel aan den emmer zich de glans van het licht gaat spiegelen o dan wordt het in de ziel heilige verrukking en zalige aanbidding. Op mij, nietig creatuur, onbeduidend schepseltje, op mij, die op de weegschaal als een stofje neerzweef en als een druppel aan den emmer gespet hang, op mij zag eeuwige Genade neer, naar mij heeft die heerlijke Majesteit van het Eeuwige Wezen Goddelijk mededoogen uitgestraald. Mij roept Hij met den naam van „kind van God". Op mijn lippen wil Hij het Abba, lieve Vader/ doen fluisteren. Voor mij verordin eerde Hij een eeuwige bestemming onder de gezaligden in het eeuwige licht!
wezen, wezen.
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's