Gomer voor den Sabbath - pagina 88
84
5,
GRIJP
NAAR HET EEUWIGE LEVEN
" !
het licht en de warmte en den dauw weg en niets dan verdorring en verflensing blijft aan den stengel. Niets uit zich alles van buiten zich is voor het leven van de bloem de wet van Gods heerlijke schepping. Maar juist nu omdat de bloem niets uit zichzelf is, zie eens, hoe ze naar het licht en naar de warmte en naar de dauwdroppen ,
,
,
als grijpt.
Soms dacht ge, dat die bloem onbeweeglijk was, omdat ze haar levensvoedsel niet najaagt als de bij of vlinder. En toch, neen, onbeweeglijk is ze niet. Keer haar slechts om en zet haar ver van het licht en ver van de zon en van den dauw af, en zie eens hoe ze zich straks wenden gaat, om haar knop en blad en spriet toch maar weer naar het licht en naar den dauw uit te strekken. o, Wandel maar in Gods schepping om, en ge ziet het immers, ze strekken zich uit al die bloemen al die planten allerwegen en ze grijpen naar het licht, ze grijpen naar de koestering der warmte, ze ontsluiten zich om den dauw in te drinken. In dat licht is voor de bloem het leven, en naar dat leven grijpt de bloem met al de uitstrekking en de inspanning harer ,
,
,
,
vezelen.
als het grijpen van die bloem naar het licht, dan ook grijpen, o, kinderen Gods! naar het eeuwige leven zijn! Een plant, die verflenst ter aarde neerligt, als haar het zonlicht beschijnt, is in kwaden staat; en de tuinman, die dit ziet, brengt aanstonds water bij om haar blad en haar wortel te besproeien
Laat,
uw
,
dat haar stengel zich weer moge opbuigen, en haar zich weer moge opheffen in het licht.
bloemknop
En zoo is ook uw zielsgesteldheid voor uw God niet goed, al& eiken morgen weer de goedertierenheid des Heeren nieuw over u is, en eiken middag weer de Zonne der gerechtigheid in de Kerke met uw zaad in die Kerke wel geplant Gods opgaat en gij maar nochtans uw ziele niet opheft tot den God der goden ^ staat en uw stengels over de aarde laat kruipen en uw bloesem voor die Zonne, die in Christus is, verbergt. Dat grenst aan levenloosheid dat nadert de verdorring en de ,
,
,
,
,
;
verflensing der ziele.
Zoo mag en moet een door God
zelf geplante
bloem
in zijn
heerlijken hof niet wezen. Opgericht moeten de stengelen van uw leven; de bloemknop uwer ziel moet zich weer naar God toekeeren ; als uitstrekken naar den Eeuwige moet zich elk blad en elke vezel, die aan heel uw ziele is; en zoo moet heel uw persoon en heel uw aanzijn éen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's