Gomer voor den Sabbath - pagina 204
200
„ZIE,
DE DIENSTMAAGD DES HEEREN."
onder ons, mannen, dienstknechten des AUerhoogsten en knechten des Heeren zullen zijn, om dag en nacht te staan in zijn voorhoven; maar ook elke Christenvrouw schiet tekort in haar roeping, zoo ze nog iets hoogers en begeerlijkers kent, dan om dien schoonsten eerenaam van ^.dienstmaagd des Heeren" te verwerven. Godsdienst is God te dienen^ en wat vrouw zou zichzelve dan godsdienstig mogen achten of vroom noemen, zoo ze niet God den Heere dient, en alzoo weet een „dienstmaagd des Heeren" geworden te zijn ? Gehuwd of nog ongehuwd, moet immers de vrouw, die jubelt in haar verlossing van zonde, inwonen in het Huis haarsGods, om in dat Huis Hem te dienen nacht en dag. Niet door haar eigen huis uit te loopen. o Er zijn er, die dat zeer zeker doen moeten en voor wie de dienst des Heeren bij gevangenen en kranken en stervenden ligt. Maar in den regel moet de dienst des Heeren in het eigen huis vervuld, door het eigen huis en de eigen woning als in het Huis des Heeren in te zetten. En dan moet al het leven éen dienen van den Heere onzen God zijn. Niet voor huis en have zorgen, en dan des avonds in een stil gebed of op den Sabbath de dieust des Heeren er bij. Neen al het leven moet in den dienst des Heeren ingezet. En het leven met vader en moeder, met broeders en zusters, met dienstboden en vriendinnen, het moet al geheiligd worden door dien eenigen, ,
,
,
heiligen wil.
En dat wordt het, niet door drukke veelbezigheid en nog minder door jacht op buitengewone dingen, en vooral niet door eigengerechtige goede werken maar door wat tintelt en gloeit in het hart. In het hart zijn ook voor de vrouw en de jonge maagd de uitgangen des levens. En de vraag is maar: Waar loopen die uitgangen des levens naar toe? Naar behaagzucht? Naar streeling van eigen lust? Naar interessantheid? Naar een gelukkige toekomst en schatting in het oog der menschen ? Of wel, is van dat alles het holle, het ijdele ingezien? Ingezien, dat dit alles uit den dood en voor den dood is ? En gloort er nu een andere geestdrift, een heiliger liefde, een uit den hemel ontstoken vuur? Dat vuur moet in de beenderen branden zooals Jeremia het uitriep. Dan is het geen gemaakt werk, maar tweede, heiliger natuur. ,
,
,
Dan
is er belangstelling. Dan komt er onderzoek. Dan trilt er lust en liefde. Dan gaat de dofheid van het oog weg. De behaagzucht wordt verachtelijk. En dan is er ongezocht een vinden van het werk, dat de Heere u op de hand legt. En als het lot dan tegenloopt; of de toekomst wordt somber; en dan stemt dat bange offers worden van hart en leven gevraagd niet droefgeestig en melancholiek, noch maakt morrend en mur,
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1889
Abraham Kuyper Collection | 310 Pagina's