E voto Dordraceno - pagina 415
ZONDAG
XV.
HOOFDSTUK
403
III.
begeerd hebben; Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen." Natuurlijk alle vergelijking is hier zwak. Maar denk u dat gij, man of •vrouw van beschaving en fijne vormen, van ontwikkeling en kennis, en die dus de menschelijke natuur bezitten moogt in een edeler vorm dan de Hottentot of de Boschjesman, plotseling u ingezet zaagt in de menschelijke natuur gelijk de Hottentot die bezit, en dat ge daarbij toch de herinnering, het besef, het heimwee van uw edeler aanleg behieldt, zou het u niet schriklijk, als een opsluiting in een kerker, als een beklemming in een dwangbuis, als een stikken van uw leven zijn? Zou het u nie^t wezen één toestand des lijdens, en zou niet al uw gebed zijn, om weer in den toestand uwer natuur, gelijk de fijner gevormde
Europeaan
worden Welnu, het komt niet
bezit, hersteld te
die
?
om met deze vergelijking het lijden Daartoe zou elke vergelijking hier tekort schieten. Daar is geen maatstaf voor. Maar zooveel zal dit eenvoudige beeld dan toch kunnen uitwerken, dat ge er u eens in kunt denken, als het worden van een Hottentot voor u reeds zoo vreeslijk lijden zijn 'zou, welk lijden het dan niet in den volsten zin des woords voor den Zone Gods moet geweest zijn, om al de dagen zijns levens op aarde in een gestalte te verkeeren, die beneden de gestalte zijner heerlijkheid nog zoo oneindig veel dieper staat, dan een Hottentot op zijn slechtst beneden den Europeaan op zijn best. Christi
En
willen
te
dit
schelijke
is
het,
in
ons op,
uitputten.
waar
natuur niet
het op aankomt. Heel dit dragen van onze menverheerlijkten toestand, gelijk nu, maar in de
in
gelijkheid des zondigen vleesches, gelijk toen, is ééne beklemming en beperking, ééne inkerkering en benauwing, één doorloopend weerzinwekkend zeer doen van zijn innerlijk besef geweest. Tegen heel dezen toestand had Hij een innerlijk huiveren, waardoor we dan ook lezen, dat Jezus meer dan eens innerlijk als het ware geschud wierd en beefde, gelijk er letterlijk staat.
Zijn
wezen kromp telkens voor de aangenomene natuur hand zich onwillekeurig terugtrekt bij de aanraking van
innerlijk
terug, gelijk onze
wat de kilheid van het lijk heeft. Zijns was het leven, en wat Hij aangenomen had en droeg, bracht Hem van oogenblik tot oogenblik met vezelen des doods in aanraking. En zoo kon zijn innerlijk wezen geen
harmonische waarin Hij op aarde omwandelde. En waar dit reeds een lijden in zijn persoon was, door de onharmonische tegenstrijdige saamvoeging van zulk een „natuur in de gelijkheid des zondigen vleesches" met zijn innerlijk volkomen heilig wezen, wierd dit lijden natuurlijk nog gestadig verhoogd door zijn aanraking met de wereld, waarin Hij die natuur droeg. De wereld die bij Hem hoort is de rust erlangen in de natuur
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's