E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 199
Derde deel
:
ZOND.
XXXa. HOOFDSTUK
en den drinkbeker der duivelen
gij
;
ofleren in
maken
meenschap aan een
„tafel des
hun offerande
om
zeggen?
te
én een
hun
tafel
en een
slachtten,
het vleesch van
tafel des
hij
de tafel des Heeren.
:
Heeren" het a/^aar aanduiden, en moet de
gemeenschap aan een offerande
uitlegging
afgoden niet tweeërlei, zij
aan de
hun tempel op hun altaren aan de afgoden. Dit noemt
die tafel de
averechtsche
zijn
ze deze gevolgtrekking'
Paulus: de tafel der duivelen. Daartegenover plaatst
Dus moet ook deze
201
kunt niet deel ichtig
Heeren, en de tafel der duivelen." Hieruit nu
De heidenen
IV.
Was
er
dan
zijn.
Wat van
ge-
zulk
den tempel der
in
én een altaar? Een altaar, waarop tafel,
offerdier te eten?
waaraan
En
ze gingen aanzitten,
zoo ook stond er in Israëls
tempel niet tweeërlei, eenerzijds het altaar, waarop de offerande geofferd en
wierd,
anderzijds
aanzitten,
om
genieten
En waar
?
tafel,
waaraan de
wijst Paulus
nu
Christenen
uit
dat
Avondmaal met de gemeente
Israëliet
met de
met vruchten en koeken
het offer vleesch,
misbruik,
lijke
een
in 1 Cor.
X
op.
zegt Paulus,
of duivelen zitten,
zijn
te zitten
om daar te offeren,
aan den vriendendisch. Dit nu mocht
was afkomstig van een
niet,
was;
zoodat
men
aan de afgoden
offerdier dat
door aan zulk een disch aan beleed.
En
dit
nu ging
eenen dag gaan aanzitten met de Christenen
den
gemeenschap met de offerande van Christus
deren dag weer
met hun
de eenvoudige reden, dat het vleesch op zulk een disch
geofferd
niet
het erger-
de Heidenen den éénen Zondag hut
vierden, en een anderen feestdag
gemeenschap met de duivelen
zijn
Men kon
om
vleesch
voorgezet,
als feestmaal te
Immers op
Heidensche familie naar den afgodstempel gingen, niet
maar om met hen aan
zijnen ging
zijn
te belijden,
te
niet
om
en den an-
oude gemeenschap met de afgoden en duivelen aan-
houden. Geheel het beroep op deze plaats mist dus elk steunpunt in den tekst,
en
is
niets
dan het voortbrengsel van een uitlegging,
die geheel
buiten den tekst en het verband omgaat.
En toch
XIV, het beroep op Melchizedek; Jfa/eac/zi I, het XXII, het beroep worden en 1 Cor. X, gebroken is, en niet gebroken zal
dit is al. G-en.
beroep op „de reine offerande aan alle plaatsen"; Luc.
op het brood dat
;
het beroep op de tafel der afgoden; meer heeft de E,oomsche godgeleerdheid
niet
uit
de Schrift weten aan te voeren; en, zelve wel gevoelende
hoe volkomen ontoereikende dat viervoudig beroep
wondere zaak
is,
om
als het Misoffer te rechtvaardigen, gaat ze
een zoo geheel
daarom terstond
over tot het beroep op de breede reeks getuigenissen der vaderen, als
door deze veelheid van getuigen buiten de Schrift, Schriftbewijs
te
dekken.
Hierbij
volgen
we haar
om
de armoede van haar echter niet;
want wel
hechten ook wij aan het oud gebruik der kerk en aan de getuigenissen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's