E voto Dordraceno - pagina 171
ZONDAG
VIII.
HOOFDSTUK
159
III.
nagedacht noch ze onderzocht, en er eenvoudig in het paradijs uit gedronken, en haar water heeft verkwikt. Maar sinds rees tegenspraak en
Icwam
er bedenking.
Deze wateren waren de goede wateren
riepen priester en wijsgeer dat ze een anderen
God
elders bronnen vloeiden van veel zuiverder gehalte.
ook
niet,
en ginds
begiftigden, en dat
En
toen
is
natuurlijk
deze bron de nadere onderzoeking gevolgd en heeft die onderzoeking tot nadere formuleering geleid, en alzoo is toen de heerlijke formule gebij
vonden van den Drieëenigen God, en bij- deze formule blijven we en moeten we blijven en daar gaan we niet van af, zoolang als er, van welke zijde ook, nog tegenstand openbaar wordt. Maar gaan we eenmaal den hemel binnen en verkeeren we eenmaal onder de volmaakt rechtvaardigen, o, dan vallen ook voor ons al deze formules, die slechts dienst doen voor ons eindig bewustzijn, weg; weg alle kennisse die nog slechts ten deele was; en het wordt weer, ja beter nog dan in het paradijs een eenvoudig drinken uit de wateren van deze Bron des eeuwigen levens, en in dat drinken zalig zijn.
De zaak
staat dus zoo:
Adam
heeft in het paradijs rijk en vol genoten,
de gemeenschap met dienzelfden Drieëenigen God, dien wij aanbidden, en die aangebeden wordt eeniglijk door
de
formuleering
van
de
alle
engelen en gezaligden; maar
Athanasiaansche geloofsbelijdenis doet slechts
en v/el als middel om ons bewustzijn te wapenen tegen van het ongeloof dat ons, zondaren, anders verstrikt en bedwelmt. Want wel zullen er ook in den hemel der hemelen uitingen en klanken zijn, om het Eeuwige Wezen lof te zingen, maar van die hemeltijdelijken dienst,
den
twijfel
is wat we op aarde stamelen, nog slechts de flauwe matte, zwakke afschaduwing. En zoo komt het dan ook, dat de klare, heldere belijdenis van den Drieeenigen God eerst in het Nieuwe Verbond bepaalder vorm aanneemt, en dat ge toch wel in het Oude Verbond merkt: „o, Gewisselijk, ook de God die daar en toen wierd aangebeden, was wel waarlijk dezelfde Drieëenige God!"
sche klanken
Maar
toen dan nu, dank
den ondoorgrondelijken ontfermingen onzes in den schoot der kerk was neergelegd, toen was het er nog verre vandaan, dat daarom, ieder zondaar nu zeggen zou: „Dus zal ook ik eens in de belijdenis van dien Drieëenigen God zalig zijn!" o, Neen, integendeel. Toen hebben nogmaals alle zondaren vonden Gods, ten
leste
zij
deze klare, heldere, doorzichtige belijdenis
gezocht, om aan den drang en de klem van deze zalige belijdenis te ontkomen. En dat was natuurlijk. Want had die belijdenis gelijk, dan hadden zij ongelijk, en moest de dood gelegd op al hun uitdenksels, en konden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's