E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 269
Derde deel
XXXI. HOOFDSTUK
ZOND.
toch
voorraad maar er
stoffelijke
doet
mee naar
er
uitoefenen
maar
blik;
die
niet.
v^at die stoffelijke hij
schikt ze,
Maar zoo gaat het met de menschen,
Want wel kan
desnoods
is,
absoluut. Hij verzet ze,
er is allerlei
hij
met macht dwingen op een bepaald oogen-
ze
gevoelt zeer wel, dat dit niet de zedelijke heerschappij
moet uitoefenen.
hoofd des gezins die
een
zijn ideaal
is,
ordelijk, rustig
is,
geen dierentemmer
hun schrik inboezemt en
hem
verkeeren, dat er
en vanzelf loopend saamleven ontsta; en
dan
eerst is zijn heerschappij in zedelij ken zin waarlijk gegrondvest, in-
dien
hij
feitelijk heerscht,
""
dat zijn vrouw en kinderen
motieven zoo met
zedelijke
uit
metterdaad een
Hij is
iegelijk biologeert,
hen willoos maakt. Integendeel, en dienstboden,
,
die tot
hij
menagerie,
hij
ook over deze tucht en gezag
en
als
hij
een
in
zijn wil.
behooren,
Nu
ook menschen.
zijn
macht
ingrediënten betreft, zijn
zijn gezin
meubelen en
soort van dingen. Er zyn
tweeërlei
zijn
271
IV.
maar zonder
bijna ooit op
onderwerping
te
,
moe-
ten aandringen.
En
ditzelfde verschil
in zijn onmetelijk rijk
de rotssteen,
van God. Ook God heeft
van hemel en aarde tweeërlei creaturen geschapen.
de cederboom
zijn instinct,
Maar behalve
en menschen,
engelen
roos van Saron, en zoo ook het dier
en de
en aan mensch en dier het lichaam, met
ling en bloedsomloop.
ook
in het Rijk
een creatuur zooals de wind en het water, het metaalerts en
Eenerzijds
met
nu bestaat ook
d.
w.
z.
al dit stoffelijke
Hij schiep én in
zijn
ademha-
creatuur schiep God
den hemel én op de ^
aarde geheel een menigte, een heirschare van schepselen, die deel hadden
aan een hooger, in
dit rijk
gelang
d.
i.
van God
deze
geestelijk leven.
zijn heerschappij
En
op het geestelijke of
zich
stoffelyke creatuur toch heerscht
deze tegenstelling nu maakt, dat
een ander karakter draagt stoffelijke
al
naar
creatuur richt. Over het
God rechtstreeks, onmiddellijk en absoluut.
Bliksem en donder, wind en regen, erts en steen, ademhaling en bloeds-
omloop en zoo voorts, kunnen zich nooit tegen Gods heerschappij verzetten. Ze
zijn er
van het
vanzelf onder. Ze kunnen er niet buiten geraken. Ten opzichte
stoffelijk
creatuur
is
dus de werking van Gods souvereiniteit on-
afgebroken en volstrekt. Maar anders staat het met de wereld der engelen en der menschen. Niet alsof deze ook maar één enkel oogenblik
aan Gods oppermacht ontkomen konden. Ook
kan geen schepsel zich zonder
zijn wil
in de hel,
feitelijk
waar Satan troont
roeren of bewegen. In de wereld
der goede engelen houdt Hij eiken Cherub en eiken Seraf in de hand zijner
En ook onder de kinderen der menschen is er niet één, die ook maar één oogenblik aan 's Heeren goddelijke oppermacht kan almacht.
trekken.
Maar voor
zijn geestelijke
genoeg. Als het God alleen er
om
schepping te
is dit
feitelijk
doen ware geweest,
bedwang
om
zijn
zich ontniet
engelen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's