E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 111
Derde deel
::
XX VIII.
ZOND.
het
g;j
helpt
opgeven
tocli
maar
;
en eens
;
„Uwe vaderen hebben
het
komt de
113
ure dat het brood u niet
hulpe
En hoe zou
voor
is
u,
o
mensch,
ook kunnen
dit
*?
in de woestijn gegeten en zij zijn ge-
Gij staal
schelijk
kan
een macht en kracht van meerde?' dan
is
u op
is
houden. Daar
te
?
uw
inzinkend men-
Neen, wat u alleen redden gij
en die daarom in
zijt,
nu op aarde het hoogste schepsel
gij
ive-
;
immers verre boven het planten-
leven duurzaam behoeden kunnen
staat
in schijn
eii
tijd
aardsche brood niet te vinden.
dit
bij
en hoe zou dan een vrucht van het plantenrijk
rijk,
meer
met het manna het geval geweest
zelfs
manna
VI.
Aardsch brood baat dus slechts voor een
storven." zenlijke
was
ge sterft. Dit
HOOFDSTUK
zijt,
kan de aarde u deze kracht of macht niet opleveren, en moet dus het brood dat waarlijk redden
Dat onderwees G-od
manna,
d.
verstond
i.
u wel
zal,
symbolisch in de woestijn, door hun het
zijn volk
een uit den hemel nederdalend brood te geven. Maar Israël
onderwijzing
die
niet.
Het zag
Ik ben uit den hemel, en ik ben voor
manna
dat in het
dat uit den hemel
eeuwigheid
der
delijkheid
meer
brood voor het
tegen
te
entegen
nedergeda,ald
leven."
over.
Zoo
;
ons
mensch, dat
lüezenlijke brood,
zoo iemand van dit brood eet die zal
blijft er
verkwijnen en bezwijken, is
zweem
dus geen
Aardsch brood helpt wel
houden, maar op den duur is
u, o
slechts afgeschaduwt was: „Ik ben dat levende brood is
doen
ons wil
die
dit zinbeeldige
brood aan, en zoo stierven ze toch. Maar nu komt Jezus en zegt
echte
in
den hemel toekomen.
uit
om
van ondui-
en voor een wijle
tijdelijk
geen baat
er
zelfs
de vernielende macht
bij,
In Christus daar-
een hemelsche kracht geboden, die macht heeft
om
de
vernieling die ons bezwijken doet, daadwerkelijk te stuiten, te overwinnen
en
niet
te
te doen,
met het
heerlijk gevolg, dat
we
voor eeuwig aan de
macht van het verderf ontkomen. Dat de Christus, en niet het aardsche brood, in
den geestelijken oorsprong der zonde. School de zonde
kon een aardsch brood ons redden. Maar zoo
dan is
dit doel treffen kan, ligt
een
worm
die
in
de
ziel
is
knaagt en slechts van
het vleesch,
in
het niet. De zonde uit de ziel
ons het
lichaam verzwakt en aantast. Aardsch brood kan dus die nadeelige werking op het lichaam wel temperen, maar kan nooit de ving
bewaren. Dat kan alleen
zelve ondersteunen kan
;
hij,
die
voor verster-
ziel
met goddelijk vermogen onze
ziel
opnemen
ziel
in onze ziel zich laat
;
en in de
zelve een steunpunt des levens wil worden. Zoo toch doodt
van de vernieling
in ons.
Zoo redt
hij
redding van ons geestelijk leven redt
hij
de kiem
ons geestelijk leven. En door de
hij
ten slotte ook ons lichaam, en
voert het op tot een staat van heerlijkheid, die aardsch brood ons nooit
had kunnen schenken. E VOTO DORDR.
III.
En overmits
dit
nu zonder
zijn vleesch
wording 8
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's