E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 463
Derde deel
XXXIVa. HOOFDSTUK
ZOND.
hoofde
Uit dien eenig
schepsel
het
is
465
II.
volstrekt ondenkbaar, dat
God de Heere een
zou roepen, zonder tevens ook in en
in het leven
schepping ervan de levenswet voor
de schepping der natuur de natuurwetten,
den dus vanzelf in in
de schepping van het plantenrijk de wet waarnaar de plant
in
de
schepping van
het
dierenrijk
orgaan of lidmaat
w.
leeft,
z.
en
de wet waarnaar het dier leeft en
met ons eigen lichaam, waarin geen enkel dat niet, hetzij we dit merken of niet merken, voort-
is,
overeenkomstig de levenswet die God voor ons bloed, voor onze
bestaat
longen, voor onze zenuwen, voor onze vertering enz. gaf.
waar ge Gods schepping
banen,
d.
Niet anders staat het
werkt.
lig
de
bij
creatuur te bepalen. Zoo ontston-
dit
of het licht
eigen ademtocht
wet
zijn uitstraling, of het
bij
zijn uit
bij
En
onverschil-
bespiedt, hetzij ge de sterren volgt op heur
water in
en ingaan naspeurt, altoos
zijn loop, of
uw
het de door
God
is
van het creatuurlijk leven buiten u en in u beheerschen. Zoo gaf God zijn wet voor de wereld van de muziek, zijn gestelde
die deze uitingen
wet voor heel de wereld van het schoone. En diezelfde God
die der zee
haar perk gesteld heeft, die ze niet overschrijden
ook de wet
in voor
door
den polsslag van
de
poriën
omvang hij
uw
van
overzien, gelijk
in VS. 96 uitroept
maar uw gebod geboden
God Is
zeer wijd"
is
Wet
des Heer en in vollen
de psalmist dit doet in Psalm CXIX, waar
v.
„In alle volmaaktheid heb ik 3en einde gevonden, 1),
dan moet ge niet alleen aan de Tien
maar dan moet
;
van wetten
nu
vanzelf in
alzoo,
zich voor
uw
oog dat gansche
in al het creatuurlijke vertoonen,
schiep, op de aarde, dit
huid. Wilt ge dus de
b.
zal, stelde
bloed en voor de uitwaseming van het vocht
ook niet enkel aan de Mozaïsche wet, of de wet der zeden en
;
ceremoniën denken menstel
:
uw
waardoor
boven de aarde en onder de aarde,
bestaat.
dat God de Heere, omdat Hij onze Schepper
die schepping de
wet voor het bestaan van
sa-
wat
al
is,
ook
creatuur ge-
alle
geven heeft, en dat geen schepping van eenig schepsel zonder die haar verzeilende levenswet denkbaar
Heere onze God,
de
is,
dan
ligt
het in den aard der zaak, dat
die alles geregeld, alles bepaald heeft,
zijn
wet beheerscht, ook de Wetgever
den
mensch, dat
we
zijn godsdienstig
is
en
alles
door
voor dat hoogere bestaan van
en zedelijk leven noemen. Aan te
nemen, dat God wel de wet voor onze longen en onze zenuwen, maar niet
de
wet voor het leven onzer
met het bestaan van God het
als heilig
ziel
zou hebben ingezet,
Wezen
III.
:
„Laat ons
gelijkenis", lag in dit besluit
Dat de Psalmist hier ook doelt op de wet Gods in de natuur E VOTO DORDR.
uiteraard
En ge moogt
u daarom niet anders voorstellen, of toen God sprak
menschen maken naar ons beeld en onze
1)
onvereenigbaar.
is
blijkt uit vs.
90en91,
3O
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's