E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 97
Derde deel
ZOND. XXVIII.
overwonnen
strekt niet
99
IV.
Deze moeilijkheid bestaat namelijk in het groot
is".
de geloovigen. Is dit nog klein, gelyk in de eerste Christen-
van
aantal
HOOFDSTUK
gemeenten, dan kunnen allen nog in ééne zaal geborgen voorden en aan één
Maar
zooals
aanzitten,
duizenden en tienduizenden worden.
personen,
tuurlyk
Wat men
achtereenvolgens telkens groepjes
dat
stelde,
na elkander aan dezelfde
nu
Immers enkele minuten
met het lange wachten en
rekenen
van doen met zich brengt,
nog altoos
onbereikt, stil
om
zit
en eindigt met
men
vele dringen
tijd
dringt
aan, langer
maar
er
wat deze wijze
blijft
nog altoos het ideaal
schare der geloovigen, zonder jacht of haast,
geheele
nu heeft toen aanleiding gegeven, dat men eerst ging aanzitten,
deelnam
af,
zit-
twaalf-
dus in deze manier van Avondmaalvie-
dat onbevredigd laat, en
iets
de
er
is
te
doen aanzitten. Dit
niet
meer aan den Disch
en rustig aan één gemeenschappelijken disch
disch
na-
moet men weer voor anderen plaats maken. Ook zonder
en dan
ren
altoos
tien-,
verzwakken. En de kortheid van
te
tot zekere gehaastheid.
te
is
aangrijpende en symbolische te loor gaat. Slechts enkelen
den plechtigen indruk
niet;
van 80 of hoogstens 100
saam aan, en niet meer de geheele gemeente. Dat
dan
honderden
daar nu voor in de plaats
zouden gaan aanzitten,
tafel
maal herhalen van dezelfde plechtigheid mat dan
die
honderden
redmiddel in den nood, maar waarbij veel van het
een
slechts
stichtelijke,
ten
thans in enkele dorpjes nog zou
dit
getal der geloovigen die aanzitten tot
het
als
wordt de zaak moeilijker, en bijna ondoenlijk zoo
uitdijt,
tot
saam
disch
kunnen.
stotid
bij
;
zoodat
men
half loopende aan den
en eindelijk dat heel de disch verdween, en in een
;
uit-
reiken van brood en wijn, straks van brood alleen, door den priester ver-
vangen werd. schen
en
Men
zich als Calvinist dus tegenover de Luther-
verheffe
Episcopalen
niet
te zeer, alsof
al
het
bij
ons reeds alles
toe-
ging gelijk het behoorde, en alsof er voor hun afwijking geen aanleiding
had bestaan. Maar ook viering
bij
de erkentenis, dat onze wijze van Avondmaals-
nog steeds gebrekkig
blijft,
men
late
zich toch
roem nemen, dat onze Calvinistische vaderen door de zin,
weer in het midden der Gemeente aan
van dew
dan ook viering als zijn
heiligen maaltijd
Tafel, in eigenlijken
te richten, de
grondgedachte
weer hersteld hebben. Die grondgedachte mag
niet losgelaten, en tienmaal beter een Calvinistische
met veel
ongerief,
Avondmaals-
dan een Avondmaalsviering waarbij het maal
zoodanig te loor gaat. De geloovigen die tot het Avondmaal naderen,
geen onmondige kinderkens,
worden, en daartoe voor de
nimmer dezen
personen,
hem
die
nederknielen
die door de milddadigheid
houden worden.
Neen,
ze
door den priester moeten gevoed
zijn
;
en ook zijn ze geen bedelen-
van den priester moeten onder-
geloovigen,
leden van het
Lichaam des
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's