E voto Dordraceno - pagina 204
ZONDAG
192
HOOFDSTUK
IX.
II.
heel de schepping moest zijn uit- en doorgebracht, eer de schepping van
den enkelen wijnstok mogelijk was. Het was dus onmogelijk, dat God de Heere in die eenmaal uitgedachte wereld een gansch anderen wijnstok
want daarvoor zou én de zon én de wet van het vocht én de voedende kracht der aarde, kortom alles anders hebben moeten zijn. inschiep,
dus dat God de Heere, na de wet, het plan, het bestek eenmaal te hebben vastgezet, nu ook zelf zich hieraan binden moest, en het alzoo moest verwezenlijken. Die wet van aanzijn voor het schepsel, voor zooverre God er zich zelf bij zijn schepping aan bond, noemen we nu meest zijn bestel, gelijk dit
En
voor
hieruit blijkt
zijn schepsel
in zijn
raad bepaald was. is deze gebondenheid niet
Doch hiermee
uit.
de Heere eenmaal bepaald heeft, dat water de wet of eigenom naar beneden te vloeien, tenzij het wordt tegengehebben, zal schap houden, daar zit die valkracht niet in het water op zichzelf in, maar is
Waar God
het
God de
Heere, die van oogenblik tot oogenblik het water alzoo in
stand houdt en er die kracht
in
dat het water veerkracht heeft
Heere die
in
doet werken. Als iemand
zwemt en
om hem
is
het verborgene zijn
hand
te
in
dragen, dan
dit
voelt
God de alzoo hem
het
water heeft en
door dat water draagt. Niet alleen dus dat God de Heere alle ding schiep, gelijk dit in zijn raad bepaald was, maar ook sinds de ure der schepping en tot nu toe is het diezelfde God, die aldoor zich aan dien raad, en aan het bestel, en de wet
van dien raad gebonden houdt, en naar dien raad handelt en dien
uitvoert.
Nu echter ontstaat er nog een geheel andere orde van dingen, zoo we komen aan de zedelijke wereld, waarin God de Heere zijn redelijke schepselen schiep. Immers voor die redelijke schepselen is het in Gods wet en raad bepaald, dat ze zelven ook zullen denken en naar die gedachten zelven handelen zouden. Als het water van de bergen stroomt, duwt God de Heere het van de bergen af, en het water is bloot lijdelijk.
Maar
als
Satan tegen
God
woelt, of
Abraham
zijn
eenige dien
hij
offeren wil, dan treedt er een geheel ander iets tusschenbeide;
liefheeft iets
dat
onze vaderen noemden: de tweede oorzaken. Ook die tweede oorzaken zijn er naar Gods wet en raad en wil. Hij schiep ze in zijn redelijke schepselen in. En hiermee ontstond alzoo het vraagstuk, hoe God de Heere, na die macht van de tweede oorzaken aan zijn redelijke schepselen te
als
hebben ingeschapen, nu desniettemin
te
mid-
woelen der tweede oorzaken, zijn bestel en bestek en raad, eerste en opperste oorzaak zou doorzetten en verheerlijken. En ge
den van
dit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's