E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 453
Derde deel
ZOND. XXXIVrt. HOOFDSTUK
kwam; maar Men besprak
behandeling bleef het dan ook meest.
die oppervlakkige
bij
455
I.
de enkele geboden, en deed zijn best, om, naar aanleiding
van deze geboden, enkele goede en nuttige zedelijke wenken te geven, en ook soms enkele zedelyke misstanden te bestraffen; maar dit had plaats toon en op grond van een redeiieering, die evengoed gepast zou
een
in
van een Brahmaan of Turk. Het was of men
hebben in de school sluitend
men
rekenschap gaf van de positie waarin
Wet Gods Wet Gods als
als
over
zedelijke
die
schelijk niet gesproken; en
macht
men kan
publiek de laatste anderhalve
Wel
als belijder
zoodanig stond. Over die
tegenover de
was.
eeuw
in het leven
reikte
de
steun
in
werd dan ook gan-
zijn eigen zedelijke
ons Gereformeerd onderwijzing kwijt
Teelinck
geheel
niet
in
men
moralisten voort, zooda-t
onbruik raakten; maar toch
'
invloed van deze lectuur niet ver. Ze vond geen den minsten
onze catechisatie, die zich almeer uitsluitend tot de dogmatiek
engeren
in
in haar geheel,
het nog op den schat van het verleden, en zette
teerde
Perkins en
zelfs
van den Christus
Wet
veilig zeggen, dat
de beste kringen de lectuur van onze oude
in
uit-
de natuurlijke zedeleer wilde inprenten, en zich geen oogenblik
en
zin,
voorts
vond evenmin weerklank
tot
in de
de Bijbelsche geschiedenis, bepaalde. Ze
gewone
met den weg der
tend bezig hield
door het onderwijs in
de
predicatie, die zich bijna uitslui-
zaligheid.
zedeleer
En
ze
^
werd evenmin gesteund
op onze universiteiten, naardien dit
buiten elk beginsel omging, en even dor als een-
onderwijs lange jaren
tonig was; zoo eentonig dat het collegie over de moraal schier door nie-
mand werd
elk Gereformeerd karakter
namer werd, maar toen ook zoo ten eenemale
men
dat
inboette,
-,
bijgewoond; en later wel sterker gekruid en daardoor aange-
ten
leste
voor pure philosophie stond.
En wel moet
dat hierin de laatste tien a twintig jaren eenige verbetering
toegestemd,
kwam. doordien
de Ethische godgeleerden van de moraal zelfs hoofdzaak
maakten, en haar verre boven de dogmatiek in waardij verhieven; maar hierin iets
slaagden
ze
alleen door in deze
hun zoogenaamde Ethiek geheel
anders te bieden, dan wat onze ouden onder Moraal verstonden, en
hiermee een macht
van de
te
scheppen, die bestemd was,
leerstellige godgeleerdheid te
om
allengs alle gezag
ondermijnen.
Feitelijk
kan men dan ook zeggen, dat ons Gereformeerde volk althans
de laatste
honderd jaar geheel gedreven heeft op eigen denkbeelden en
aan zich
zelf
is
overgelaten
geweest.
Men
goed Gereformeerde kringen zeer wel, dat
waarin
men
zich tegenover de
Wet
klippen moesten op dit punt gemeden eenerzijds
en
ge/oelde
men
natuurlijk in alle
zekere positie noodig had,
des Heeren moest plaatsen. Allerlei ;
allerlei
gevaar voor werkheiligheid
voor Antinomianisme anderzijds moest afgewend; en
men
.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's