E voto Dordraceno - pagina 465
ZONDAG Tweede Persoon
in
HOOFDSTUK
XVI.
453
V.
de Drieëenheid, maar als degeen die onze natuur droeg,
niet anders dan op het leven zijner ziel slaan. En van het kruis afgenomen, in lijnwaad gewikkeld en in het graf nedergelegd, en heeft daar gerust tot aan den derden morgen. Ook zonder verder onderzoek heeft men dus volle recht, om alle soortgelijke voorstelling van een plaatselijke hellevaart, als onschriftuurlijk te verwerpen, op grond hiervan: lo. dat zulk een hellevaart een daad niet van den Zone Gods als God, maar als Middelaar zou moeten zijn; 2o. dat moeten worden zijn daden als Middelaar in onze menschelijke natuur 3o. ziel lichaam; en ziel volbracht, naar en dat de des Heeren in het Paradijs was, en zijn lichaam, van die ziel gescheiden, rustte in het hart der aarde, tot straks de Paaschmorgen aanlichtte over het graf.
en uiteraard kan
dit
ook
is
zijn
Toch
Men
lichaam
laten
we
het hier niet
bij.
beroept zich toch van de overzijde
op
zeer
bepaalde
Schrift-
uitspraken, die metterdaad een zeer sterken schijn voor zich hebben, en alleszins geschikt zijn,
om
ons, bij gemis aan het noodige nadenken, voor
de gevoelens, althans der Luthersche kerken, namelijk Epheze IV
:
8, 9;
1
Petr. III
:
19 en
te 1
winnen. Het
Petr.
IV
:
zijn
voor-
6, die hierbij in
ook met minder gewicht, Matth. XII 40 24 en 27 aan worden toegevoegd. In Epheze IV lezen we namelijk dit: Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den menschen gaven gegeven. Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de ncderste deelen der aarde ? Die nedergedaald is, is dezelfde ook, die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. En metterdaad moet erkend, dat wie deze woorden zoo leest en buiten hun verband, op den klank af hoort, licht verleid zou worden, om er waarlijk iets over de nederdaling aanmerking komen, en waar,
zij
het
ever het Jona-teeken, en Hand.
ter helle in
te
vinden. Leest
II
:
:
men daarentegen ook deze zinsnede
onderling verband, dan springt het terstond schijn was,
in
in
heur
het oog, dat dit niets dan
en dat van een hellevaart hier geen sprake zelfs zijn kan.
Een overtuiging die door aandachtiger overweging der woorden dan ook ten volle wordt bevestigd. Waarvan spreekt Paulus in Epheze IV ? Van de gaven, die Christus uitdeelt,
en wel van zulke gaven die Hij uitdeelt aan de zijnen, terwijl ze
nog op aarde verkecren. Vlak toch aan de uitgeschreven zinsneden gaat vooraf: „Aan elkeen van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus", en er volgt op deze zinsnede in vers 11, „dat Hij daarna gegeven heeft sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten, en dat alles tot volmaking der heiligen, tot
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's