E voto Dordraceno - pagina 102
ZONDAG
90
HOOFDSTUK
V.
II.
En dit nu duidt de Catechismus daardoor aan, dat hi] niet vraagt: „Kon de zondaar zelf betalen?" maar dat hij het persoonlijk maakt: gij en ik. Wij, zooals we hier voor elkander staan, en saam belijden Gods kinderen te zijn, konden wij zelven betalen? En nu luidt het antwoord kort en bondig, snijdend en onontwijkbaar: In geenerlei wijze.
Dit sluit dus elke mogelijkheid van zelf betalen niet.
der eeuwigheid
In
niet.
Nu
uit.
niet.
Morgen
Nooit.
Niet door streven naar gerechtigheid. Niet door boete en berouw. Niet
door
zoen
goede
en
werken. Niet door zelfkastijding en zelfplaging.
Niet door aldoor goed en waar te
branden.
door
Niet
En om
eeuwiglijk
zijn.
Niet door u levend
hellestraf
te
lijden.
laten ver-
te
In geenerlei wijze.
en volstrekte nu voor ieders conscientie tot eene maken, voegt de opsteller er zoo meedoogenloos hard, maar even daarom zoo juist en zoo gezond aan toe: „Want wij maken ook dagelijks de schuld nog meerder." stellige
dit
afgesnedene zaak
En
te
dat zoo, dan
is
is
het natuurlijk
uit,
en hoeft er niet verder
mogelijkheid van eigen betaling ingedrongen. Gaat er niet er bij; mindert de schuld niet,
maar
af,
in
de
maar komt
klimt ze gestadig; natuurlijk dan
is
is het met alle zelf afdoen uit. nu juist is aller Christenen diepdroeve zielservaring, waarmee door den Catechismus aan de Schrift ontleende antwoord, telkens
het buiten hope, en
En ze dit
dit
bevestigd zien.
Lieden
in
de wereld weten daar niet van. Aangekleede vromen bekreu-
nen zich daar niet om.
De
heirschare der werkheiligen
toestemmen. Maar die personen, die kennis aan zich bij
het licht van
licht eiken
dag
Gods aanschijn wandelen, duidelijker, dat het
zelf
zal
u
dit
nooit
kregen, en nu
die zien, helaas, bij dat klare
wel waarlijk zoo
is.
Bedenk toch wel, meer dan hetgeen waartoe een onzondig mensch in staat zou zijn, kon zelfs die onzondige mensch niet doen. Stel dus eens, er ware een Nathanaël (niet de geschiedkundige, maar een denkbeeldige), die, ja, tot aan zijn twaalfde jaar wel eens gezondigd had, maar na dien tijd geheel onzondig bestond. Natuurlijk dan zou (ware dit mogelijk) deze denkbeeldige Nathanaël van
met heel als
zijn
gewijd
zijn
leven,
hart,
zijn
twaalfde jaar af
God
liefhebben
heel zijn verstand en al zijn krachten en zijn naaste
en heel zijn aanzijn en
persoon
zou
ganschelijk
Gode
zijn.
Maar indien dit nu zoo ware, kon hij daarmee dan nog ooit iets of ook maar het allergeringste oververdienen? Kwam dit alles dan niet toch ook zoo geheellijk aan zijn God toe? Mag hij ooit één zaadje onont-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's