E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 153
Derde deel
zo XD.
^^^
XXIX. HOOFDSTUK V.
VIJFDE HOOFDSTUK. ""En'hïj^am hij
brood, en als
hij
het, en gaf het hun, zeggende:
hetwelk
gedankt had, brak Dat
is
mijn lichaam
mijne voor u gegeven wordt, doet dat tot
gedachtenis.
Lucas 22:
19.
heiligen Avondmaals eene godgaat er dan in het Sacrament des uit; eene actie van den DriedeUjke werking op de zielen der geloovigen zekere hoogte, zeer wel de werking eenigen God, waarin, althans toi op Geestes te onderscheiden is. des Vaders, des Zoons en des HeiUgen actie op de geechter de uitwerking van onze goddelijke
Zoo
Hiermede
is
beantblijft ons dus nog de vraag te loovigen nog niet toegelicht, en zoo door inwerking, deze goddelijke woorden: Wat grijpt er, tengevolge van des heiligen Avondmaals, in het en onder het gebruik van het Sacrament
hart van den geloovige plaats? geloovige. Immers er zijn Met opzet zeiden we: in het hart van den die de sacramenteele werking ook thans weer dwaalleeraars opgestaan, beperken, maar ons pogen van het heiUg Avondmaal niet tot het hart
aan
te prediken,
dat er
op ons lichaam plaats
bij
en door het heilig Avondmaal ook een actie
grijpt.
op Pantheïstische wegen Deze dwaalleeraars raakten allen min of meer zienswijze, die de grenzen en onderverdoold. Het Pantheïsme toch is die en stof, ziel en lichaam enz., scheidingen tusschen God en de wereld, geest te gelooven aan het perverzwakt en opheft, ook al belijdt men daarbij nog soonlijk bestaan
^
nu die uitvan God. De mannen dezer richting passen hier toe. tusschen ziel en lichaam op tweeërlei manier
wissching van de grenzen Vooreerst toch zeggen telijke
eigenschappen
lichaam geesdat in den verheerlijkten Christus het het Uchaam van bezit; en ten tweeden leeren ze, dat op ze,
ziel uitgaat. Blijkbaar heeft den geloovige eene geestelijke werking van de bodem ontstond. De men dus te doen met een dwaalleer, die op Lutherschen Christus de verheerlijkten Luthersche kerk toch had beleden, dat in den mededeelden aan en overeigenschappen van zijn goddelijke natuur zich en menschelijke natuur gingen op zijn menschelijke natuur. Goddelijke God-menschelijke waren dus in den verheerlijkten Christus tot een soort
de menschelijke saamgevlochten, zooal niet saamgesmolten. Ook daa^r alomtegenwoordig ; en natuur van den verheerlijkten Christus v^as dus menschelijke natuur, goddelijke eigenschap aan geheel Jezus'
natuur
nu deze
-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's