E voto Dordraceno - pagina 267
ZONDAG
HOOFDSTUK
XI.
255
I.
Had de Heilige Geest zich over den Christus en had de Christus zich over zich zelven niet uitgesproken, zulk zondig onderzoek zou te verontschuldigen zijn.
Maar nu de
Christus zoo stellig mogelijk gezegd heeft: Die ben
ik,
het eeuwige leven, dat gij gelooft, dat ik Die ben" nu ligt in elk pogen, om langs dezen weg den Christus te leeren kennen, wantrou-
en „dit
is
wen en
ongeloof, ja, eigenlijk een zeggen tot den Heiland: Gij verklaart gij die zijt, maar op uw woord kan ik dat niet gelooven. Twijfel, ongeloof is het dus, als men langs dien empirischen weg den
nu wel, dat
Christus na gaat speuren.
Men
aldus over zich zelven spreekt, studie, de
opgeblazene geleerde,
woord niet. Dat hij En nu zal de man van de verwatene wetenschappelijke man Jezus gelooft Jezus op zijn is
niet afdoende.
eens na gaan rekenen, of zijn verklaring aangaande zich zelven wel strookt met de overige gegevens. En ja, als dit mi uitkomt, dan zal de Heere Jezus een legalisatie ontvangen, dat
waarheid sprak en over zichzelven niet uit, dan zal zijn verklaring aangaande zich zelf gerectificeerd worden, en de ingebeelde godgeleerde zal het beter weten dan zijn Heere. En hiertegen nu moet de gemeente des levenden Gods opkomen en getuigen met al de kracht die in haar is. Dit mag niet geduld. Dit is juist
Maar
oordeelde.
ook,
principieel de autoriteit des
toevalligerwijs
komt
hij
het
Heeren omverwerpen. En of nu
de apologeet
al
een bevredigende uitkomst geraakt en
Renan eindigt formeel volkomen
tot
met zonde en schuld in den Christus te vinden, dat is Voor Jezus is het even krenkend en beleedigend, als gij, als man van wetenschap hem verklaren komt: Gij hadt juist van uzelven geoordeeld, als dat Renan hem lasteren durft: Gij waart een vriendelijk dweper! Vast sta daarom onder de gekochten des Heeren, dat ze zich noch in het bidvertrek, noch op den kansel, noch in de studeerkamer ooit moge hetzelfde.
om buiten de verklaringen van den Heere zelven in zijn Woord, zich een oordeel te willen vormen over zijn Persoon en Wezen. Alle Christologie die dit onderneemt, moet verfoeid. Alle geleerdheid die hiernaar de hand uitstrekt, moet onverbiddelijk buiten het heilig erf gebannen. Leerjongens Christi hebben we te wezen, laten verleiden tot de zondige zucht,
allereerst en allermeest als
wie de Middelaar
Wie daarna
als niet
te belijden
het op het hoofdpunt aankomt,
te
weten
leerjongen Christi van zijn lippen de waarheid opving, heeft
anders
doen dan te getuigen van wat wat hem op de lippen is gelegd. te
In dat getuigenis, in die belijdenis tot zaligheid
om
om
is.
om
te
het te verstaan;
moge
hij
hij
gehoord heeft en
dan met de
ziel
indringen
gelooven, en met zijn denken indringen tot kennisse
maar dan
blijft
én
bij
dat gelooven én
bij
dat kennen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's