E voto Dordraceno - pagina 398
ZONDAG
386 bleef
XIV.
HOOFDSTUK
van die persoonlijke zwakheden, die ons Vandaar dat Hij wel
soonlijk leven aankleven.
IV.
in
verband met ons per-
sterft,
maar
niet ziek
is
geweest.
En zoo komen we dan
tot het
verzoening aanbrengt, maar
genomen Is
zijner
in
om
derde punt: dat vergoten
te
zijn
vergoten bloed de
kunnen worden, moest aan-
de vleeschwording. de noodwendige gevolgen maar ingevolge de beschikking des Heeren, in den
dat Christus niet krachtens
het waar,
geboorte,
staat van een ongerechtige en als verantwoordelijk voor onzer aller schuld
op aarde kwam, dan voelt ge onmiddellijk, dat eigenlijk de toerekening van onzer aller schuld aan den Middelaar reeds vóór zijn geboorte plaats greep in den raad des Welbehagens. Dit kon ook niet anders, of onze rechtvaardigmaking zou niet vast in den wille Gods zijn. En wat ge ook bemerkt, er zou geen verzoening geweest zijn voor Abraham en David en alle verlosten des Ouden Verbonds, en geen hunner had ooit als in Psalm XXXII van een „welzalig, wien de zonden zijn vergeven" kunnen jubelen. Dit sta dus boven alle bedenking vast, dat de toerekening van onzer aller schuld aan den Christus, reeds vóór zijn ontvangenis in den raad des Eeuwigen was. Doch is dit zoo, en is Hij alleen krachtens dezen zelfden raad ontvangen en geboren, juist om als drager onzer schuld, onze zonden te kunnen verzoenen, dan volgt hier ook vanzelf uit, dat Hij niet anders dan in den staat van een ongerechtige kon ontvangen en geboren worden. „Geworden uit een vrouw, geworden onder de wet!" In zijn ontvangenis en geboorte ligt dus tweeërlei: lo. is Hij door zijn ontvangenis uit den Heiligen Geest feitelijk en wezenlijk „heilig, onbesmet en onnoozel", en 2o, toch tegelijk, wat zijn staat aangaat, schuldig gesteld en schuldig gerekend voor onzer aller schuld.
Nu ligt intusschen de zoen der zonde in het recht Gods, dat voor een oneindige schuld een eeuwigen dood vraagt. Hieruit volgt alzoo, dat de toerekening van onzer aller schuld aan den Middelaar, en de verzoening van onzer
aller
schuld door Hem, wel afvloeit
uit
Gods
raad,
maar
eerst
gerealiseerd wordt, als zijn bloed wordt vergoten en Hij in den eeuwigen
dood ingaat. En in zooverre mag er nooit aan getornd of iets op afgedongen: We hebben de verlossing door zijn bloed. Maar, en hierop nu is meestal veel te weinig gelet, om zijn bloed te kunnen vergieten, nam Hij het aan, en dat aannemen zelf reeds van dat bloed was een daad van vernedering, en droeg als zoodanig reeds een priesterlijk
karakter.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's