E voto Dordraceno - pagina 117
ZONDAG
Nu
we
treden
HOOFDSTUK
VI.
105
II.
alzoo tot den werkelijken Middelaar over, en verschijnt
van den
Man
van smarten, die voor ons in den smadelijksten dood ging en ons de vrucht schonk van wat hij stervende voor ons
heilig beeld
liet
verwon. Het
of de heilige apostel Johannes van de heilige oevers ook
is
ons toeroept: „Zie het Ja het
is
of
we
bij
dit
Lam Gods,
dat de zonde der wereld wegneemt,"
keerpunt
den Catechismus de vriendelijke stem
in
onze
ziel voelen dringen, van onzen .,Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt, en vinden voor uwe ziel!"
Heiland
En daarom spreken om.
zelven
in
keert de Catechismus thans
Nu geen
dan ook geheel
als gij
zijn
roept:
Hij
zult ruste
toon van
betoog, nu geen klem van redeneering meer.
thans uit het volle hart een toon van
lof
Neen
en eere, en het beleden met
een woord schier geheel aan de Heilige Schrift ontleend: ,,Die Middelaar is
onze Heere Jezus Christus, dien wij niet hebben uitgedacht, maar die God geschonken is, en in wien wij hebben al onze wijsheid, onze
ons van
rechtvaardigheid, onze heiligmaking en onze volkomene verlossing!"
En
warmen, bezielden toon valt de Catechismus nu, niet als bekroop hem half spijt over zijn voorafgaande even keurige als ernstige ontleding, maar juist omdat met name die vorige nauwkeurige ontleding der zaak thans den toon van lof en dankzegging wettigt. Als een drenkeling in een put viel, en ik weet niet hoe diep die put is, en er komt iemand aanloopen met een stok of touw, dan moet er eerst nog op allerlei manier geprobeerd, of die stok wel zoo lang als de put diep is en of dat touw wel lang genoeg zal zijn, en overvalt mij de angst dat inmiddels de drenkeling omkomt. Maar als ik dien put nauwin
dien
gullen,
keurig ken, en haarfijn weet, dat tot aan den waterstand de diepte juist 15 meter bedraagt, zoodat ik
een touw van omstreeks
om
den drenkeling er
18 meter noodig heb;
uit te
kunnen halen
en ik roep dat
uit,
en
iemand hoort dat, en roept mij toe: „Ziehier juist een touw van 18 meter!", dan gaat er vanzelf een vreugdekreet in mijn ziel op; want nu weet ik opeens, dat de drenkeling juist met dit touw gered is. De overweging en kennisse van wat voor redding noodig is, is dus volstrekt niet overtollig, maar is juist het onmisbare om zeker van redding te zijn. En als iemand eerst onderwezen is, wat redder hij voor zijn ziele behoeft, en aan wat ontzaglijke vereischten die redder beantwoorden moet, zoodat hij vaak waande, ,,zulk een redder vind ik nooit"; dan juist stijgt zijn vreugde ten top, zoo er zich juist zulk een redder aan
hem voordoet. En vandaar het rijk der
dat de wetenschap en de kennisse, hoe naar de wetten van genade onze Middelaar zijn moest, thans, nu hij juist zoo zich
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's