E voto Dordraceno - pagina 453
ZONDAG weten ook, hoe
Maar
volbracht.
dit
HOOFDSTUK
XVI.
gevoelen vooral steun zocht
toch dit gevoelen
is
niet
441
III.
den uitroep: Het
in
is
houdbaar. Van tweeën één toch:
Het is volbracht, was op datzelfde oogenbHlc alles ook van het kruis kunnen afkomen, en niet behoeven te sterven; óf wel, Hij moest nog sterven; het ergste moest nog komen; maar dan was zijn uitroep: Het is volbracht ook slechts de aanduiding, dat het nu ten einde liep. En wat het graf zelf aangaat, dat komt heel de Schrift door steeds voor als een deel van den vloek en het oordeel dat we droegen; en 't zij men Jesaja LIII, Psalm XVI of Matth. 40 raadpleegt, het is en blijft onmogelijk er iets anders dan een XII dragen van den smaad en de vernedering des grafs om onzentwil in te zien. Heere
óf toen de uit;
riep:
maar dan had
Hij
:
Onze
XIX
belijdenis drukt dit in art.
aldus
dat hetgeen
uit,
de handen zijns Vaders bevolen heeft een ware
in
was, die natuur
uit
zijn
lichaam scheidde, maar
vereenigd
altijd
bleef
dat
hij
stervende
menschelijke
de
intusschen
met de menschelijke ook
als
geest
goddelijke Hij
in
het
graf lag. Dit nu
juist hetzelfde
is
het graf ging.
In
als bij
Jona. Jezus heeft geweten dat Hij in
de bangheid van het graf
het graf liggende heeft Hij
gevoeld, gepeild, gedragen, niettegenstaande zijn gescheiden menschelijke
En
als
ontwaken zonder
te
geest in het Paradijs was. het niet een
dien
in
Hij
uitkomt op den derden morgen,
weten wat
er
met
Hem
maar een bewust uittreden uit het ingewand der uitkwam uit het ingewand van den visch.
tusschentijd;
aarde, gelijk Jona
Een zeer heldert dit
begrijpelijke vraag, door den Catechismus vlak hierop gedaan,
nog nader
op.
Als toch Christus borgtochtelijk in onze plaats voor ons het oordeel en den wij
is
geschied was
smaad van
het graf draagt, dan
is
dit
lijdt,
sterft,
zoo goed alsof
zelven dat lijden, dien dood, dat oordeel en dien smaad, dat graf in
eigen persoon gedragen hadden. plaats droeg, zijn wij er af. Goed.
Zoo Christus Maar indien
het voor ons en dit
nu zoo
is,
in
onze
en Christus
ook den dood en het GRAF voor ons en in onze plaats droeg, dan moest het ook eigenlijk zoo zijn, dat een wedergeborene niet meer stierf en niet meer in de groeve behoefde af te dalen. Men zou dan verwachten, dat de ongeloovigen in den dood en in het graf gingen, maar de geloovigen niet meer. Zij konden ten hemel varen, gelijk Henoch en Elia, want immers hun dood en hun graf is in den dood en in het graf van Jezus betaald. En daarom vraagt de Catechismus: Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven ? En hierop antwoordt hij: Onze dood is geen betaling voor onze zonde, maar een afsterving van de zonde en een doorgang tot het eeuwig leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's