E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 472
Derde deel
ZOND.
474:
XXXIVa. hoofdstuk
eenigszins
anders bedoeld, maar rust toch
Bovendien
de
zichte
van
verder
te
zeggen
iemand bod
vorm
een
ijdele
zelf
Het zou geen indien
zijn,
hebben in den hemel tot
zin
alle
„Ge zult
dien dag geen
gebod altoos eerst, bij
is
om hun
positief,
den weg
is,
en
maar toch
in dit
gebod aan
mag men
om
is,
er geen verbiedende
en
stellig in allerlei
wet komt,
zullen,
te slaan.
dus zeggen, dat de Wetgever van Sinaï
menschen, van wie Hij weet, dat de neiging
tot
hen aanwezig
men
kinderen begint het
bij
waarop ze gaan
te wijzen,
wel
gebiedt,
afwijking of tegenstreving, in het negatieve
Zonder overdrijving
in
het
kenteekende. En wat het Vijfde gebod aangaat, verlieze
het
spreekt
Want
zijn.
werk doen,"
niet uit het oog, dat dit tot de kinderen gericht
om
van Tien
in plaats
van den Sabbat
zoo, dat het Vierde gebod de heiliging
Israél
maar
de Tien geboden, wordt niet iets greboden,
geboden spraken, zou de uitdrukking wel zoo juist
het:
ver-
dit
de neiging, die in het rechtstreeksch
meer verboden, en zoo we dus van Tien verboden,
is
dezen op-
uitkomt, niet van nature in het menschelijk hart aan-
wezig was. Bijna in
eigenlijk
te
En ook op aarde zou
,,Gy zult niet stelen."
klank
stelen, het sterkst
op dezelfde grondgedachte
van de Tien geboden ontslaat ons
bewijs. :
UI.
kwaad
die het
tot alle
kwaad
boosheid uit zal komen, indien stuit.
Zoo
zijn
dus de Tien
geboden niet de zedewet van den reinen onzondigen mensch, maar de formeele zedewet voor den zondaar. De mensch die zondaar werd, heeft een
soort zedelijk leven tot aanzijn geroepen, dat tegen de zedelijke
des
menschen
dat
hij
ingaat. Zooals
en leven zou. De ontwikkeling van
bestaan
geklommen
tot plus 3, plus 6, plus 9, enz,,
gen, van x)lus naar minus, en
nu
is
stond
een door God
en
en waartegen
daden,
Hy
Goddelijke
gewild
niet
maar
nu gedaald
tot
God
zijn
wet
niet gewild,
persoon
is
niet
is
in
haar tegendeel omgesla-
—
3,
—
6,
—
9 enz. Hierdoor
gewilde zedelijke existentie opgekomen. Er ont-
door de zonde in Gods schepping een wereld van neigingen, over-
leggingen
zijn
bestaat en
hij
heeft
leeft,
heeft,
gebracht,
in
die er niet zijn
toornt.
mag,
die
weg moet,
Immers de toorn Gods
is
die Hij
niets anders,
vloekt
dan dat
kracht en majesteit, die inwerkt tegen hetgeen Hij niet
tot
het
zal
menschelijke
verdaan zyn. En die toorn Gods, in woorden taal
uitgesproken,
haalde: „Gij zult niet" Hierin toch nische verklaring, dat het niet goed
ligt is
dat
nog heel
is
iets
nu dat telkens
her-
anders dan de plato-
of dat het beter anders ware. Dat
woord van klemmende goddelijke wilskracht. Inden zondeval is Gods majesteit verworpen, en de illusie van den zondaar is, dat hy, door God te verwerpen, nu ook van God af is. Hield hij God „Gij zult niet" is een
-<
wezenlyk voor God,
Maar zoo
is
gelijk Hij
het niet. Alle zonde
is,
is
hij
een
Hem niet kunnen verwerpen. pogen, om van God af te komen.
zou
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's